Het record van het aantal hittedagen van de zomer van 1976 werd verbroken afgelopen zomer. Zelfs Frank Deboosere kon een korte glimlach niet onderdrukken bij het aankondigen dat 2018 de nieuwe mijlpaal wordt voor de volgende zomers. Ja, die van 1947 was nog warmer, maar het aantal exemplaren binnen de soort Homo sapiens dat zich deze zomer nog helder voor de geest kan halen, neemt zienderogen af. Ik geef toe: Frank's boodschap gaf me ook even een zucht van opluchting. Hoewel ik die van 1976 zelf nog meegemaakt heb, was ik net wat jong om me er nog sappige beelden bij voor te stellen en die te vertalen in nog sappiger verhaallijnen. Al is het woord sappig in de context van droogte nogal slecht gekozen. Toen ik einde juli bij mijn ouders polste of de warmte nog draagbaar was, kreeg ik het standaard antwoord: die van '76 was erger. Dat was de afgelopen jaren een stopwoord voor elke discussie over warme zomers en soms ook wel over klimaatverandering. Het is hen vergeven. Veel mensen maken immers de inschattingsfout om individuele feiten te hanteren als graadmeter voor systeemveranderingen. Net zoals de zomer van 1976 geen reden is om de huidige klimaatverandering te ontkrachten, is de hete zomer van 2018 op zich geen bewijs van diezelfde klimaatverandering. Veranderingen bekijk je op lange termijn en als daar zich dominante patronen aftekenen, bv. in casu stelselmatig verhoogde temperaturen, een continue stijging van de gemiddelde jaartemperatuur, langere periodes van droogtes of grotere hoeveelheden neerslag op een korte tijd, weet elke wetenschapper die naam waardig, Frank Deboosere inclusief, dat er spreekwoordelijke stront aan de knikker is. Te veel aan mest en de methaanuitstoot die dat genereert: het is ook een van de redenen waarom het momenteel 5 na twaalf is met die klimaatverandering.
Dat de zomer van 2018 het record van 1976 breekt, is dan misschien wel een kans om een nieuw ijkpunt in de geschiedenis te schrijven - vergelijk het met de 3de plaats van de Rode Duivels waardoor het WK van 1986 in Mexico van titel naar voetnoot verschuift - maar daarmee is dan al het positieve wel gezegd. De resulterende droogte heeft hopelijk toch een aantal mensen eens doen nadenken over de samenhang van klimatologische effecten. Klimaatverandering en de gevolgen daarvan resulteert evenwel al snel in een discussie of je al dan niet vooruitgangsoptimist moet zijn. In zo'n discussie draait het om de mogelijkheden die de mens continu zal benutten om nieuwe uitdagingen aan te pakken. Technologie staat daarbij centraal. Hoewel ik op vlak van technologische vooruitgang ook optimist ben, wordt dat vooruitgangsoptimisme me iets te vaak gebruikt om de individuele verantwoordelijkheid onder de mat te schuiven. Die hebben we met z'n allen. Net daar wringt het schoentje. Anders zou De periode waarin we zitten best wel een zeer turbulente periode in de toekomstige geschiedenislessen kunnen worden.
De Engelse econoom William Jevons beschreef in 1865 al het uiteraard pas later naar hem genoemde, zo hoort dat in de wetenschappen, bestuurde fenomeen van de Jevons paradox. Een hogere energie-efficiëntie resulteert niet noodzakelijk in minder energieverbruik. Jevons stelde vast dat meer energie-efficiënte technieken om steenkool te gebruiken, een sterke stijging in het verbruik aan steenkool initieerden. De energiebron wordt vaak goedkoper (minder verbruik per kWh) en dat doet de vraag stijgen. Een wagen die minder verbruikt, daalt in total cost of ownership voor de eigenaar, waardoor die mogelijk besluit om binnen het gezin toch maar die 2de, 3de of 4de wagen aan te kopen. De dualiteit die daarbij ook speelt is dat we die evolutie enerzijds moeten aanmoedigen. Ze doorkruist het alleenrecht van de happy few om bv. wereldreizen te maken. Anderzijds weten we al langer uit de 'tragedy of the commons' dat het streven naar maximale opbrengst van individuen niet leidt tot meer collectieve welvaart. In de 'tragedy of the commons' staat een gemeenschappelijke weide symbool voor de natuurlijke bronnen op aarde. Elke boer kan koeien op de wei zetten. Elke koe extra die een boer erop zet, betekent meer inkomsten (melk, vlees,...) voor de betrokken boer, maar ook minder gras voor de andere koeien. Een daling in de beschikbaarheid aan gras leidt tot minder melk- en vleesproductie. Jazeker, we kunnen extra gaan bemesten om meer gras per m² te krijgen, maar Jevons leert ons dat het gevolg zal zijn dat we nog meer koeien op de wei zullen stallen. Het gevolg is bekend.
Technologie zien als het argument om zelf verantwoordelijkheid af te schuiven is het surrogaat van hopen dat de volgende generatie de problemen wel zal oplossen. Dat is in de geschiedenis van de mensheid allicht nooit echt anders geweest. Los van de prachtige technologische doorbraken waar we nog voor staan, zal het succes van die doorbraken mee bepaald worden door een hogere morele maturiteit van de manier waarop we met die technologie omgaan. De Nederlandse architect Thomas Rau stelt het helder: we verbruiken de aarde en haar bronnen en zouden ze feitelijk moeten lenen en dus ongeschonden terugbrengen voor de volgende generaties. Het aantal business modellen dat inspeelt op deze nood neemt toe, maar het mag sneller en meer...
Deze no-nonsense blog haalt inspiratie uit contacten met veel interessante ondernemers en eigen ervaring en legt daarbij de brug naar innovatie en ondernemerschap. De natuur is daarbij nooit ver weg.
donderdag 30 augustus 2018
woensdag 30 mei 2018
Wat Chestnote mij leert over innovatie...
Een paar weken terug zetelde ik in een jury om een ondernemersprijs uit te reiken. Criteria als innoveren, een modern personeelsbeleid en internationaliseren zijn dan uiteraard niet toevallig leidend bij de beoordeling van de kandidaten. De wedstrijd illustreerde dat internationaliseren nog niet in het DNA van elke Vlaamse kmo zit. Soms is dat ook niet onbegrijpelijk. Sommige bedrijven hebben nog behoorlijk wat groeipotentieel in Vlaanderen, bijvoorbeeld omdat ze inspelen op nieuwe marktvragen. Erg opvallend bij presentaties is de sterke aandacht voor medewerkers. Dat is altijd zo geweest, maar in het verleden voelde je dat het vooral bon ton was om het belangrijk van medewerkers te vermelden. Nu is het meer en meer de rode draad doorheen een bedrijfsvoorstelling. Dat goede medewerkers zich niet meer spontaan aanbieden is niet bepaald vreemd aan deze evolutie. Maar je voelt ook bij veel ondernemers een echt sterke betrokkenheid bij het welzijn van hun personeel en een overtuiging dat die pas goed kunnen presteren als ze zich echt goed voelen in hun job. Opvallend is dat ook kmo-bedrijfsleiders experimenten opzetten met nieuwe vormen van leiderschap tot zelfs zelfsturing. Het is zoals met de mobiliteitsproblematiek: je lost de uitdagingen van de 21ste eeuw niet op met methodieken van de 20ste eeuw.
Innovatie was ook manifest aanwezig in de presentaties. Nochtans is het woord disruptief niet eenmaal gevallen. KMO bedrijfsleiders zijn niet zo bezig met het gebruiken van buzzwords. Dat pleit voor hen. Hoewel disruptie zeker zijn weg gevonden heeft in de moderne economie, gebeurt erg veel innovatie via niet-disruptieve vernieuwing. Innovaties die niet-ingevulde noden aanpakken of een marktsegment bereiken dat voorheen 'verwaarloosd' wordt. Op macroschaal was de Grameen bank een mooi voorbeeld: ze startte met microleningen en creëerde zo een klantensegment dat voorheen door banken niet bediend werd. Je kan dat op dat moment moeilijk disruptief noemen dus. De bestaande markt bleef immers gewoon bestaan. Ze had gewoon geen aandacht voor dit klantensegment. Vergelijk dat met de huidige fintech hausse, die traditionele banken op haar grondvesten doet daveren omdat ze in hun kernbestaan worden bedreigd door een pak nieuwe start-ups die wel degelijk hun kernsegment bespelen. Ander voorbeeld: het populariseren van mountainbikes leidde er niet toe dat mensen geen gewone fiets meer in huis hebben. Dat die ondertussen meer en meer vervangen wordt door een elektrische is dan weer een ander paar mouwen.
Het zoeken van niet ingevulde noden of nieuwe segmenten biedt ook Vlaamse bedrijven kansen in tijden van disruptie. Een mooi voorbeeld is de Antwerpse start-up Chestnote dat inzet op 'contextual messaging'. In tijden waarin we dagelijks via allerhande sociale media overstelpt worden met realtime, maar vaak onbeduidende content, bedacht Tom Le Clef dat sommige boodschappen emotioneel interessanter worden als ze niet direct toegankelijk zijn. Samen met zijn neef Peter Wellens vormde hij dat idee om tot een start-up die ondertussen klaar is om de wereld te veroveren. Ambitieus zijn is gewoon een must in deze activiteit die schaling nodig heeft. De kern van contextual messaging: je stuurt berichtjes die pas geopend kunnen worden op een bepaalde locatie en/of op een bepaald moment in de toekomst. Los van de emotionele meerwaarde, biedt dat ook de kapstok voor een onderliggend business model gericht op bedrijven. Denk aan het reisbureau dat verrassingsreizen organiseert waarbij je via contextual messaging van de ene in de andere verrassing valt zonder vooraf te weten wat de reis brengt.
Is Chestnote disruptief. Niet echt. Het bouwt een businessmodel rond een goed idee dat inspeelt op vermoedelijk niet ingevulde noden zonder daarom een bestaande markt te bedreigen. De toekomst zal uitwijzen of de markt een sterke appetijt heeft om 'contextual messaging' te omarmen. De markt heeft immers altijd het laatste woord over goede ideeën, disruptief of niet. Hun start hebben ze alvast niet gemist. Peter en Tom timmeren nu in elk geval hard aan de weg om er een succes van te maken...
Innovatie was ook manifest aanwezig in de presentaties. Nochtans is het woord disruptief niet eenmaal gevallen. KMO bedrijfsleiders zijn niet zo bezig met het gebruiken van buzzwords. Dat pleit voor hen. Hoewel disruptie zeker zijn weg gevonden heeft in de moderne economie, gebeurt erg veel innovatie via niet-disruptieve vernieuwing. Innovaties die niet-ingevulde noden aanpakken of een marktsegment bereiken dat voorheen 'verwaarloosd' wordt. Op macroschaal was de Grameen bank een mooi voorbeeld: ze startte met microleningen en creëerde zo een klantensegment dat voorheen door banken niet bediend werd. Je kan dat op dat moment moeilijk disruptief noemen dus. De bestaande markt bleef immers gewoon bestaan. Ze had gewoon geen aandacht voor dit klantensegment. Vergelijk dat met de huidige fintech hausse, die traditionele banken op haar grondvesten doet daveren omdat ze in hun kernbestaan worden bedreigd door een pak nieuwe start-ups die wel degelijk hun kernsegment bespelen. Ander voorbeeld: het populariseren van mountainbikes leidde er niet toe dat mensen geen gewone fiets meer in huis hebben. Dat die ondertussen meer en meer vervangen wordt door een elektrische is dan weer een ander paar mouwen.
Het zoeken van niet ingevulde noden of nieuwe segmenten biedt ook Vlaamse bedrijven kansen in tijden van disruptie. Een mooi voorbeeld is de Antwerpse start-up Chestnote dat inzet op 'contextual messaging'. In tijden waarin we dagelijks via allerhande sociale media overstelpt worden met realtime, maar vaak onbeduidende content, bedacht Tom Le Clef dat sommige boodschappen emotioneel interessanter worden als ze niet direct toegankelijk zijn. Samen met zijn neef Peter Wellens vormde hij dat idee om tot een start-up die ondertussen klaar is om de wereld te veroveren. Ambitieus zijn is gewoon een must in deze activiteit die schaling nodig heeft. De kern van contextual messaging: je stuurt berichtjes die pas geopend kunnen worden op een bepaalde locatie en/of op een bepaald moment in de toekomst. Los van de emotionele meerwaarde, biedt dat ook de kapstok voor een onderliggend business model gericht op bedrijven. Denk aan het reisbureau dat verrassingsreizen organiseert waarbij je via contextual messaging van de ene in de andere verrassing valt zonder vooraf te weten wat de reis brengt.
Is Chestnote disruptief. Niet echt. Het bouwt een businessmodel rond een goed idee dat inspeelt op vermoedelijk niet ingevulde noden zonder daarom een bestaande markt te bedreigen. De toekomst zal uitwijzen of de markt een sterke appetijt heeft om 'contextual messaging' te omarmen. De markt heeft immers altijd het laatste woord over goede ideeën, disruptief of niet. Hun start hebben ze alvast niet gemist. Peter en Tom timmeren nu in elk geval hard aan de weg om er een succes van te maken...
woensdag 23 mei 2018
Wat het slaper effect me leert over innovatie...
Tijdens WOII maakte de Amerikaanse regering verschillende propaganda films om Amerikaanse soldaten warm te maken voor de betrokkenheid van de VS in de oorlog tegen Duitsland. De psycholoog Carl Hovland onderzocht daartoe de langetermijnseffecten van die propaganda. Daaruit bleek dat vlak na het bekijken van de documentaires de soldaten de verworven informatie als ongeloofwaardig zagen: ze waren zich sterk bewust van het propaganda-gegeven. Na weken tot maanden bleek uit het onderzoek dat de verstrekte informatie door de soldaten echter als veel geloofwaardiger werd gezien. De boodschap bleef hangen en het verwerpen van de betrouwbaarheid van bron daalde sterk in intensiteit. Reden is dat de bron gewoon vergeten was of dat de koppeling tussen bron en boodschap sterk verzwakt was. Het 'slaper effect' werd daarna het onderwerp van verschillende onderzoeken: mensen gaan vaak na verloop van tijd de onbetrouwbaarheid van de bron minder in overweging nemen bij het al dan niet accepteren van de verworven informatie.
Het 'slaper effect' is een bondgenoot bij het uittekenen van een politieke campagne, denk maar aan die van Donald Trump. Maar ook reclamespots doen er hun voordeel mee. Dat een wasproduct witter dan wit wast, gelooft niemand als het in een reclameclip zit, maar de boodschap blijft hangen en de onbetrouwbaarheid van de boodschapper vervaagt na verloop van tijd. Reclame is dus zijn geld nog waard. Alleen wordt de uitdaging groter om ontvanger de boodschap te laten capteren. Bij het versneld doorspoelen van reclame is dat net iets moeilijker.
Met alle informatie van de wereld binnen handbereik, veronderstel je dat mensen beter geïnformeerd zijn en dus veel minder onderhevig zijn aan het 'slaper effect'. Niet dus, zoals blijkt uit de laatste Amerikaanse verkiezingen. Dat net Facebook daarbij een rol speelde als 'betrouwbare' bron is eens temeer een bevestiging dat mensen hun kritische geest in slaapmodus lijkt te gaan na verloop van tijd. Dat weinig mensen op dit moment, geruggensteund door de GDPR wetgeving, hun privacy gegevens zullen aanpassen is het gevolg. Al heeft dat nog een andere oorzaak: het default effect. We verkiezen de default optie in de veronderstelling dat dit de beste is. Maar ook daar vertrekt dit van een geloof in de betrouwbaarheid van diegene die de default keuze vastlegt...
woensdag 25 april 2018
Wat de Vietnam oorlog mij leert over innovatie...
Dit jaar is het 50 jaar geleden dat het zogenaamde Tet-offensief een definitief keerpunt inzetten binnen de Vietnam oorlog. Tết Nguyên Đán is de nationale feestdag in Vietnam, waarmee de komst van het nieuwe jaar en de inzet van de lente worden gevierd. Tijdens die feestdag werd er normaal een wapenstilstand gehouden. Een oorlog kent echter geen zekerheden en dus viel de Vietcong in 1968 massaal de Amerikaanse stellingen aan. De Amerikanen, eens bekomen van de verrassing, sloegen hard terug, maar het Tet offensief luidde definitief tot het inzicht dat het conflict niet (enkel) met militaire middelen kon beslecht worden. Dat de publieke opinie zich meer en meer keerde tegen de Amerikaanse aanwezigheid, was daar niet vreemd aan. Einde maart 1968 kondigde President Johnson aan dat de bombardementen op Noord-Vietnam werden stopgezet. Moesten er in 1968 digitale sociale media bestaan hebben, het zou allicht sneller gebeurd zijn. Of net niet, want vluchtigheid van een medium is niet altijd een stevige basis voor het creëren van een groot draagvlak.
Een belangrijke pion in de Vietnam saga was Robert McNamara, Minister van Defensie in de periode '61-'68. Hij was een grote believer in een gunstige afloop van de oorlog in het voordeel van de VS. Hij baseerde zich daarbij op het toenemend aantal slachtoffers bij de Vietnamese vijand. De belangrijkste KPI voor succes was een toename van het aantal vijandelijke slachtoffers en een afname van de mortaliteit bij het eigen leger. Het achterliggende idee was dat het aantal Vietcong strijders beperkt was en dat dus een sterke overmacht met meer vijandelijke slachtoffers per definitie moest leiden tot de zege.
KPI's hebben hun voordeel, maar zijn maar een vereenvoudigde weergave van een vaak complexere realiteit. Die complexere context wordt vaak ontkend, omdat ze niet gemakkelijk meetbaar is. De Amerikaanse socioloog Yankelovich stelt het als volgt: "Je start met wat je gemakkelijk kan meten. Dat is op zich ok. De tweede stap is om geen rekening te houden met wat niet gemakkelijk kan gemeten worden of om dat arbitrair een waarde toe te kennen. Dat is kunstmatig en misleidend. De derde stap is om te veronderstellen dat wat niet gemeten kan worden, onbelangrijk is. Dat neigt eerder naar blindheid. De vierde stap tenslotte is om wat niet gemeten kan worden gewoon te beschouwen als niet bestaande. Dat is zelfmoord."
KPI's zijn belangrijk om processen in bedrijven te monitoren, dus ook het innovatieproces, maar enkel waardevol als je rekening houdt met hun beperkingen. Ik moest er aan denken bij het lezen van dit artikel over Jeff Bezos. Hij ontvangt zelf nog mails van klanten en als dat klachten zijn, stuurt hij de mail gewoon door naar een medewerker voorzien van een vraagteken. 'Wat is hier aan de hand?'. Klachten bieden Bezos een verslag uit eerste hand. "Als alle data (KPI's) A zeggen, maar de klant zegt B, dan gelooft hij de klant." KPI's zijn immers een vereenvoudiging van de werkelijkheid en Heisenberg is nooit veraf. Meten beïnvloedt het proces in casu. You get what you measure.
McNamara was een wijs man: grote leiders durven hun inzichten bijspijkeren op basis van nieuwe informatie. Hij veranderde van mening door herhaaldelijke bezoeken aan Vietnam en daarbij rechtstreekse informatie van op het slagveld te capteren. Hij zag in dat zijn KPI om succes in de oorlog te monitoren te simplistisch was en veel variabelen niet in ogenschouw nam. Maar de McNamara Dwaling was al geboren...
Een belangrijke pion in de Vietnam saga was Robert McNamara, Minister van Defensie in de periode '61-'68. Hij was een grote believer in een gunstige afloop van de oorlog in het voordeel van de VS. Hij baseerde zich daarbij op het toenemend aantal slachtoffers bij de Vietnamese vijand. De belangrijkste KPI voor succes was een toename van het aantal vijandelijke slachtoffers en een afname van de mortaliteit bij het eigen leger. Het achterliggende idee was dat het aantal Vietcong strijders beperkt was en dat dus een sterke overmacht met meer vijandelijke slachtoffers per definitie moest leiden tot de zege.
KPI's hebben hun voordeel, maar zijn maar een vereenvoudigde weergave van een vaak complexere realiteit. Die complexere context wordt vaak ontkend, omdat ze niet gemakkelijk meetbaar is. De Amerikaanse socioloog Yankelovich stelt het als volgt: "Je start met wat je gemakkelijk kan meten. Dat is op zich ok. De tweede stap is om geen rekening te houden met wat niet gemakkelijk kan gemeten worden of om dat arbitrair een waarde toe te kennen. Dat is kunstmatig en misleidend. De derde stap is om te veronderstellen dat wat niet gemeten kan worden, onbelangrijk is. Dat neigt eerder naar blindheid. De vierde stap tenslotte is om wat niet gemeten kan worden gewoon te beschouwen als niet bestaande. Dat is zelfmoord."
KPI's zijn belangrijk om processen in bedrijven te monitoren, dus ook het innovatieproces, maar enkel waardevol als je rekening houdt met hun beperkingen. Ik moest er aan denken bij het lezen van dit artikel over Jeff Bezos. Hij ontvangt zelf nog mails van klanten en als dat klachten zijn, stuurt hij de mail gewoon door naar een medewerker voorzien van een vraagteken. 'Wat is hier aan de hand?'. Klachten bieden Bezos een verslag uit eerste hand. "Als alle data (KPI's) A zeggen, maar de klant zegt B, dan gelooft hij de klant." KPI's zijn immers een vereenvoudiging van de werkelijkheid en Heisenberg is nooit veraf. Meten beïnvloedt het proces in casu. You get what you measure.
McNamara was een wijs man: grote leiders durven hun inzichten bijspijkeren op basis van nieuwe informatie. Hij veranderde van mening door herhaaldelijke bezoeken aan Vietnam en daarbij rechtstreekse informatie van op het slagveld te capteren. Hij zag in dat zijn KPI om succes in de oorlog te monitoren te simplistisch was en veel variabelen niet in ogenschouw nam. Maar de McNamara Dwaling was al geboren...
woensdag 11 april 2018
Wat skiën mij leert over innovatie...
Als je zelf een skiër bent, weet je dat wat er met mijn batterijen gebeurd is na een week van de bergen glijden. Ze zijn opgeladen. Vertoeven in machtige berglandschappen is sowieso verkwikkend, maar met een pak witte kristallen erop, daarop een voorjaarszon en voorzien van 2 latten stijgt de impact van die uit de kluiten gewassen heuvels op de mentale gezondheidsindex met stip. Het is dan ook niet verrassend dat rotstekeningen aantonen dat skiën al ruim 7000 jaar een transportmodus is. Voor de toenmalige nomaden was het in gebieden zoals Scandinavië allicht de enige optie om de vereiste afstanden te overbruggen op zoek naar voedsel en beschutting. Die ski's werden in die barre tijden trouwens gemaakt van botten van grote dieren. Niks werd ongebruikt gelaten na een jachtpartij. Je zou kunnen stellen dat daarmee enige eer werd betuigd aan het gevelde dier. Het gaat er nu iets minder respectvol aan toe in sommige slachthuizen. Zo'n 2500 jaar voor Christus werd er overgeschakeld op houten latten en dat bleef zo tot de 20ste eeuw. Over standvastigheid gesproken.
Pas in het begin van de 19de eeuw werd skiën ook een recreatieve activiteit. Voor die business model innovatie zorgde de Noor Sondre Norheim. Hij verving de touwbindingen door stijve bindingen wat springen met de ski's mogelijk maakte. Maar hij startte dus vooral ook met het organiseren van sportwedstrijden en was daarbij zelf trouwens vaak aan de winnende hand. Begin 20ste eeuw verdiepte de Oostenrijker Zdarsky zich vervolgens verder in de skitechnieken en verruimde zo de mogelijkheden van draaien en tijdig stoppen. Ik ben hem dankbaar, want dat kwam de afgelopen week behoorlijk van pas.
De afgelopen 50 jaar situeren de innovaties zich minder op vlak van de ski's. Ja, in de jaren '90 kwamen de Carveski's op en zij domineren ondertussen de meeste hellingen. Het gros van de innovaties zitten echter eerder in de rand, om de ervaring van de skiër te verhogen: snellere en comfortabele skiliften (al mogen ze de verwarming best wel afzetten onder een brandende voorjaarszon), helmcams, 'wifi everywhere', een interactieve skibril met augmented reality tot jawel, nieuw aanbod in de après-ski. Het draait om de totale ervaring zo'n week skiën.
Op een skipiste valt er verder veel te observeren over menselijk gedrag. Het doel bij het skiën is duidelijk: beneden geraken. Of is het veilig beneden geraken? Of misschien zo snel mogelijk beneden geraken? Of eerder zoveel mogelijk afstand afleggen vooraleer beneden te zijn? Soit, misschien is het doel toch niet zo gemeenschappelijk. Of juist wel: er zijn vooral veel manieren om een doel te bereiken. Genieten van de weg naar het doel is daarbij ook niet onbelangrijk. En net daar verschillen de meningen wel eens over. De ene legt de nadruk op veiligheid en dus voorzichtigheid: vooral zonder vallen beneden geraken. De andere wil snel en doelgericht naar de lift skiën. Nog een ander wil liefst dat de groep samen geniet en dus dat iedereen ongeveer dezelfde route blijft houden. En tot slot is er in zo'n groep ook meestal wel iemand die al enthousiast bezig is over de volgende afdalingen die binnen bereik liggen. Voor wie vertrouwd is met de Insights Discovery profielen, heeft ze net alle vier zijn passeren. Ze zijn niet alleen bij het werken in teams in organisaties nuttig om te herkennen, maar ook in relatie met klanten en dus ja, zelfs op een skipiste.
Wat ik steeds opnieuw ervaar bij onze jaarlijkse ski-avonturen is dat skiën het zoeken is van een evenwicht tussen loslaten en controle. Teveel controle maakt je route voorspelbaar maar laat weinig ruimte voor improvisatie en het verkennen van nieuwe trajecten. Te veel loslaten geeft je snelheid en ruimte voor exploratie, maar je riskeert je doel uit het oog te verliezen. Een belangrijke afslag missen was bij mij alvast het gevolg, waardoor ik de rest van de groep kwijt was. Het evenwicht tussen controle en loslaten hangt uiteraard ook af van de context en meer specifiek de complexiteit. Ik kan je alvast garanderen dat, hoewel mijn dominante skitechniek maximaal loslaten is, ik op de Harakiri Piste in Oostenrijk eerder neigde naar controle...
woensdag 28 maart 2018
Wat Hedwig Von Restorff mij leert over innovatie...
Heb jij al gehoord van Hedwig Von Restorff? Ik tot vorige
week ook niet. Toen stootte ik eerder toevallig op haar naam doordat ik op het
internet een artikel las over de werking van het geheugen. Hedwig Von Restorff
was een Duitse psychologe die in 1933 experimenten deed om het geheugen te
doorgronden. Ze kwam daarbij tot de conclusie dat het geheugen veel
gemakkelijker zaken capteert die afwijken van de norm.
Lees snel de volgende regel, kijk weg van het scherm en
probeer de 10 vermelde producten te herhalen:
appel, peer, citroen, banaan, manuscript, kers, perzik,
pruim, kriek, appelsien
Proficiat als ze alle 10 kon herhalen. Je leidt niet aan een
beginnende vorm van amnesie als u dat niet lukt. Veel kans echter dat
'manuscript' je zal bijgebleven zijn. Ik weet niet of Hedwig de aha-erlebnis
die aan de bron ligt van haar theorie had bij het winkelen, maar het zou zo
maar eens kunnen. Het is duidelijk dat in marketing omgevingen Von Restorff
gefundenes fressen is. In een wereld waarin we allen door 1000-den
reclameboodschappen per dag worden belaagd, blijft enkel die informatie hangen
die ons op een of andere manier opvalt en nieuwsgierig maakt.
Maar hoe zit dat bij innovatie? Wel, Hedwig gaat zich
vermoedelijk omdraaien in haar graf (ze stierf in 1962), maar om een of andere
reden illustreren veel bedrijven op vlak van hun innovatie-record juist het
omgekeerde effect. Ze kijken naar hun markt, hun omgeving, hun medewerkers... ,
zien een nieuw bedrijf dat hun markt binnenkomt met een nieuw businessmodel
...en onthouden daarna enkel de bedrijven (taxibedrijven bijvoorbeeld) die
allen met hetzelfde businessmodel werken, met name het model dat ze zelf ook
hanteren. Dat is manifest in tegenstrijd
met het Von Restorff effect. Hoe kan dat? De psychologie lijkt het hier te
winnen van de hersenwetenschap. We blijven kuddedieren die zich liever spiegelen
aan een groep gelijken. Daarbinnen voelen we ons veilig en zo worden
concurrenten ineens gelijkgestemden (taxibedrijven bijvoorbeeld).We zullen onze
neus wel eens ophalen als er een indringer verschijnt aan de rand van de groep,
maar voelen ons geborgen zolang we ons maar op dezelfde manier gedragen als de
andere leden in de kudde.
Ondernemen conform de leuze 'de uitzonderingen bevestigen de
regel' en dus nieuwe businessmodellen in de markt negeren, is in deze snel
veranderende tijden niet zonder risico's. Het economisch tijdperk waarin een
businessmodel decennia succesvol is, hebben we achter ons gelaten. Het is dus
niet zo slecht om ons volledig over te laten aan de inzichten van Hedwig Von
Restorff om zo nieuwe businessmodellen snel te detecteren. Belangrijk is dan om
de specifieke marktnoden waarop ze inspelen te definiëren om van daaruit een
eigen nieuw aanbod of een nieuwe marktaanpak uit te rollen. "An entrepreneur should look for what is,
and not for what he thinks should be"
woensdag 21 februari 2018
Wat een aalscholver me leert over innovatie...
Afgelopen weekend maakten we een wandeling nabij de Molse Meren. Een prachtige natuurlijke omgeving, die trouwens resulteert uit de industriële ontginning van het naburige Sibelco. Plots zat hij daar op een houten wal. Onbewogen en met uitgespreide vleugels te genieten van wat winterse zon. De aalscholver is een vogel waar je meestal niet naast kan kijken. Onbewogen zit hij soms op een paal in of vlakbij water, vaak met uitgespreide vleugels. Hij lijkt wat pronkerig, maar in de praktijk laat meneer of mevrouw gewoon zijn of haar veren drogen. Wees maar zeker dat deze kolos, een lengte tot 80 à 100 cm is geen uitzondering, dan net een vis achter de afwezige kiezen heeft.
Eens je een aalscholver kent, kan je eigenlijk niet missen. De vogel wordt wel eens de schrik van vissers en vijverexploitanten genoemd omdat hij tussen een halve tot hele kilo aan vis per dag verorberd. Een aantal exemplaren kunnen dus lokaal wel wat impact hebben op het visbestand, maar dat de vogel een bedreiging zou vormen voor het visbestand is een fabel. Technologisch is de aalscholver een atypische watervogel. Die laatste hebben immers meestal de gewoonte om veel lucht tussen hun veren te pompen. Dat helpt bij het drijven, maar geeft ook een goede isolatie tegen afkoeling. De aalscholver is echter meer een duiker dan een drijver. Hij duikt achter vis en ziet er niet tegenop om zo'n vis achterna te gaan in het water. Dan wordt je best niet gehinderd door lucht in je veren en de resulterende opstuwende kracht die dat geeft.
Mooie beelden van National Geographic illustreren nu ook dat de aalscholver er zelf niet voor terugdeinst om een walvishaai op te zoeken, omdat die zuignapharnasmeervallen meedraagt. Die meervallen zuigen zich vast op oppervlakten, zoals de huidwand van de haai, om zo voedsel als algen naar binnen te zuigen of kleinere vissen en voedselresten waar de walvishaai haar neus voor ophaalt. Die meervallen hangen zich vast aan de walvishaai en dat heeft zo zijn consequenties voor zijn hydrodynamica als het aantal oploopt. Die uitsteeksels schelen een slok op de borrel qua energieverbruik voor deze mastodont. De vis tolereert dus de actie van de aalscholver uit eigenbelang.
Zo'n samenwerking tussen groot en klein is de uitdaging van veel start-ups, maar is ook een aandachtspunt voor veel grote bedrijven. In de slipstream (waardeketen) van die bedrijven zitten wel eens interessante opdrachten of klanten die te klein zijn om hun interesse te wekken. Voor veel start-ups liggen daar interessante kansen. Die kleine spelers hebben dan weer een wendbaarheid en innovatiekracht waarnaar de walvishaaien van de bedrijfswereld alleen maar kunnen verlangen. Niet toevallig dus dat in 2017 en ongetwijfeld nog meer in 2018 het ene na het andere grote bedrijf start-up en/of scale-up programma's opzet om ecosystemen te bouwen met al dat jonge en hier en daar wat oudere ondernemerstalent...
Eens je een aalscholver kent, kan je eigenlijk niet missen. De vogel wordt wel eens de schrik van vissers en vijverexploitanten genoemd omdat hij tussen een halve tot hele kilo aan vis per dag verorberd. Een aantal exemplaren kunnen dus lokaal wel wat impact hebben op het visbestand, maar dat de vogel een bedreiging zou vormen voor het visbestand is een fabel. Technologisch is de aalscholver een atypische watervogel. Die laatste hebben immers meestal de gewoonte om veel lucht tussen hun veren te pompen. Dat helpt bij het drijven, maar geeft ook een goede isolatie tegen afkoeling. De aalscholver is echter meer een duiker dan een drijver. Hij duikt achter vis en ziet er niet tegenop om zo'n vis achterna te gaan in het water. Dan wordt je best niet gehinderd door lucht in je veren en de resulterende opstuwende kracht die dat geeft.
Mooie beelden van National Geographic illustreren nu ook dat de aalscholver er zelf niet voor terugdeinst om een walvishaai op te zoeken, omdat die zuignapharnasmeervallen meedraagt. Die meervallen zuigen zich vast op oppervlakten, zoals de huidwand van de haai, om zo voedsel als algen naar binnen te zuigen of kleinere vissen en voedselresten waar de walvishaai haar neus voor ophaalt. Die meervallen hangen zich vast aan de walvishaai en dat heeft zo zijn consequenties voor zijn hydrodynamica als het aantal oploopt. Die uitsteeksels schelen een slok op de borrel qua energieverbruik voor deze mastodont. De vis tolereert dus de actie van de aalscholver uit eigenbelang.
Zo'n samenwerking tussen groot en klein is de uitdaging van veel start-ups, maar is ook een aandachtspunt voor veel grote bedrijven. In de slipstream (waardeketen) van die bedrijven zitten wel eens interessante opdrachten of klanten die te klein zijn om hun interesse te wekken. Voor veel start-ups liggen daar interessante kansen. Die kleine spelers hebben dan weer een wendbaarheid en innovatiekracht waarnaar de walvishaaien van de bedrijfswereld alleen maar kunnen verlangen. Niet toevallig dus dat in 2017 en ongetwijfeld nog meer in 2018 het ene na het andere grote bedrijf start-up en/of scale-up programma's opzet om ecosystemen te bouwen met al dat jonge en hier en daar wat oudere ondernemerstalent...
woensdag 7 februari 2018
Wat het boek De Goestingarchitecten van Mieke Van Gramberen me leert over innovatie...
2 weken terug kreeg ik een mail in mijn mailbox, meer specifiek in de folder overige. Microsoft denkt te weten welke mails prioritair zijn en welke pas aandacht verdienen op een moment dat de geest parallel verstrooid wordt door andere prikkels die geen volle concentratie vragen, een aflevering van De Ideale Wereld om maar iets te zeggen. Maar Microsoft vergist zich wel eens. De betreffende mail was een uitnodiging voor een boekvoorstelling van het boek De Goestingarchitecten van Mieke Van Gramberen, directeur van Flanders Synergy. Voor wie minder bekend is in het niet-technologische luik van innovatie: Flanders Synergy is het Vlaamse platform dat inspanningen doet om innovatie op vlak van arbeidsorganisatie bij Vlaamse bedrijven en organisaties te promoten en te bevorderen. Ze doen dat al enige jaren met volharding en dat leent zich dus tot een boek om wat ervaringen te delen.
8 maanden terug zijn we met de Innovatiecentra een transitietraject gestart naar één vzw, met sterkere inbedding binnen het Agentschap Innoveren en Ondernemen en zo'n kantelpunt is best een moment van reflectie over de toekomstige arbeidsorganisatie. Zoals die van elke dienstverlener is ook onze omgeving een VOCA-omgeving geworden:
- volatiel en onvoorspelbaar door wijzigende beleidskaders
- daardoor een hogere onzekerheid
- complexer door de intrede van nieuwe spelers en de noodzaak om nieuwe samenwerkingen op te zoeken en uit te bouwen
- ambigu door een krachtenveld van verschillende belangenorganisaties met soms tegenstrijdige verwachtingen rond roldefinitie en -afbakening.
De complexere omgeving resulteert in een complexere organisatie en hogere onzekerheid. Tegen die achtergrond is het voor elke organisatie een uitdaging om mensen energie te laten halen uit de nieuwe uitdagingen waar de organisatie voor staat. Cruciale randvoorwaarde daarbij is om de nodige hefbomen zoals autonomie en een goede samenwerking met collega's te borgen.
Flanders Synergy hanteert al jaren een kader waarin een aantal bouwstenen worden gedefinieerd voor een 'goestinggevende' organisatie:
- cultuur bepalende mijlpalen: visie, leiderschap, teams, individu
- structuur bepalende mijlpalen: proces, macostructuur, microstructuur en systemen
Alles start met visie: waarom bestaan we, waar gaan we naartoe, wat zijn onze waarden en wat is ons mensbeeld? Een enthousiasmerende visie is de brandstof voor een organisatie. De waarden vertellen iets over het DNA dat de organisatie heeft of zou willen op termijn. Het mensbeeld geeft mee hoe de organisatie kijkt naar de natuur van mensen: volgens theorie X of Y. In het eerste denkkader overheerst wantrouwen, i.e. mensen zijn lui en willen werk ontlopen. In het tweede gaat men er van uit dat mensen intrinsiek gemotiveerd zijn om het beste van zichzelf te geven.
Eens de visie bepaald is, moet duidelijk worden waar je als organisatie je tijd insteekt: het primaire proces. De visie wordt daardoor ontrafeld in een aantal kernopdrachten. Het verschil tussen een activiteit en een kernopdracht is soms moeilijk: een vak geven in een school is een activiteit, het nastreven van leerdoelen en talenten ontwikkelen kunnen wel beide primaire processen zijn. Door met een helikopterperspectief te kijken naar de primaire en ondersteunende (secundaire) processen en beroep te doen op sorteercriteria (bv. regio, klantendomein, bepaalden producten/diensten) kom je tot een macrostructuur (hoe verdelen we taken en verantwoordelijkheden in de organisatie) geënt op een aantal (waarde)stromen. Zie het als samenhangende delen, die een zekere onafhankelijkheid hebben in de uitvoeringsfase. Binnen het Innovatiecentrum maken we bv. een onderscheid tussen het primaire proces gericht op het begeleiden van bedrijven en dat op het onderhouden van relatiebeheer met al onze belangrijke stakeholders die vaak ook partners zijn (kenniscentra, clusters, werkgeversorganisaties,...). De sorteercriteria kiezen is trouwens niet zo evident: waarom kiezen voor regio's versus specialisatie bijvoorbeeld? Bij het Wit-Gele Kruis Oost-Vlaanderen opteerden ze uiteindelijk voor een combinatie van regioteams die de A tot Z dienstverlening in een regio aanbieden en gespecialiseerde teams voor complexe zorgtaken die door de regioteams kunnen ingeroepen worden. Daarnaast worden ondersteunende activiteiten samengebracht om de coherentie te bewaken. Een ander aandachtspunt is dat kennisdeling binnen dezelfde vakgebied bewust georganiseerd moet worden, bv. over regio's heen. Het vraagt een proces op zich. Ingenieursbureau Sweco werkt daartoe bv. met intervisie en kennisdeling via interne platformen over de regio's heen. Wij laten ons alvast inspireren door deze voorbeelden.
Het concept zelfsturende teams omvat zelfsturing, maar ook teams. Per definitie hebben teamleden mekaar nodig om het werk gedaan te krijgen. Er moet dus een afhankelijkheid zijn tussen teamleden. In sommige organisaties moeten daartoe doelbewust linken gelegd worden tussen mensen die de afhankelijkheid creëert. Zonder die afhankelijkheid is er geen echt team, maar een groep individuen met weliswaar in het beste geval wat organiserend vermogen, maar geen echt samenwerkingsvermogen. In een call-center lukt het creëren van afhankelijkheden toch nog via ondersteunende en coördinerende taken, zoals bv. het opleiden van nieuwe collega's of het halen van gedeelde teamdoelstellingen. Belangrijk aandachtspunt om afhankelijkheden te versterken is de dwingende randvoorwaarde los te laten dat iedereen alles kan. Een kennismatrix kan in beeld brengen wie waar de meeste kennis of ervaring in heeft. Een aantal criteria bepalen het ontwikkelingsstadium waarin een team zich bevindt: omgaan met vakmanschap en kennis(deling), organiserend vermogen (rolverdeling en planning), samenwerking (bv. omgaan met conflicten) en resultaatgerichtheid (mate van ownership).
Binnen een team kunnen er rollen gedefinieerd worden die vrijwillig opgenomen worden door teamleden. Dit bepaalt de microstructuur. Dit laat toe om leiderschapscapaciteiten in de organisatie maximaal te gebruiken en te laten ontwikkelen, zonder daar hiërarchische bevoegdheden aan te koppelen. Het team blijft eindverantwoordelijke en stuurt dus bij waar nodig. Juist om te vermijden dat bepaalde rolhouders zouden neigen naar 'bazig gedrag' worden de rollen halfjaarlijks terug in vraag gesteld en/of open gesteld. Ook een goed moment voor een teamintervisie, waarbij de werking van het team door het team wordt geëvalueerd. Een van de moeilijkere zaken in teams blijkt trouwens nog altijd het geven van feedback tussen teamleden. Ook daartoe wordt dus best een stimulerend kader gecreëerd. Een ander risico is dat teams eilanden worden in de organisatie. Ook het zorgen voor crosslinks tussen teams, bv. via gemeenschappelijke teamdagen is dus nuttig.
Meer zelfsturing vraagt ook een andere blik op management en leiderschap. Waar teams sterk worden door afhankelijkheden, is een team dat afhangt van een manager juist niet matuur. Leiderschap ent zich in hoofdzaak op het bewaken van de visie en waarden en moet transformatief en participatief zijn in plaats van directief. Dit vraagt bv. van een CEO een verschuiving van het taakgerichte en relationele naar het waardegericht werken en het borgen van contacten met de buitenwereld. De CEO wordt meer een klankbord. Maar in het begin van de transitie is daarentegen (bij)sturing vaak wel nodig om de lijnen uit te zetten. Managers verliezen door de veranderingen vaak hun houvast, wat resulteert in vragen en twijfels en mogelijk ook weerstand. Hun rol verschuift van management gerelateerde taken naar coaching en niet elke leidinggevende voelt zich daar comfortabel bij. Het accent verschuift immers van oplossingen aanreiken naar mensen begeleiden om zelf oplossingen voor problemen te vinden. Mensen moeten ook duidelijkheid krijgen over wat de organisatie verwacht van het individu op vlak van vaardigheden en gedrag. De basis wordt het motiveren en inspireren zodat ieders inspanningen gericht zijn op het behalen van de doelstellingen, de visie en het bewaken van de waarden. Leiderschap wordt zo een proces dat in de organisatie door velen kan opgenomen worden.
De vraag is uiteindelijk: zijn er nog bazen nodig? Er loopt veel studiewerk rond en de conclusies zijn blijkbaar niet eenduidig. Zeker bij grote bedrijven kunnen strategische keuzes, kennismanagement, loonbeleid, conflictmanagement...nog hiërarchisch gestuurd worden, maar er zijn evenzeer succesvolle voorbeelden waar dat niet langer gebeurt. Duidelijk is wel dat rollen helder moeten gedefinieerd worden voor iedereen in de organisatie. En het draagt de voorkeur om rollen te laten evolueren naargelang het team groei in maturiteit.
Dient het nog gezegd: het streven naar zelfsturende en meer mature teams, kortom een 'everyone culture' binnen een organisatie is een is een werk van vallen en opstaan over een pad geplaveid met hindernissen en onderweg met een continue aandacht voor 2 succespijlers: duurzame relaties en duidelijke communicatie. Duurzame relaties vragen een gemeenschappelijk doel, gedeelde kennis en wederzijds respect. We bouwen samen aan de verandering; niemand heeft het groot gelijk daarbij. Communicatie is best frequent, accuraat en gericht op het oplossen van problemen.
Het pad bewandelen vraagt doorzetting, maar het doel maakt het bewandelen van dit hobbelige pad de moeite: mensen hun 'ambacht' teruggeven zodat ze met volle goesting werken aan zinvol werk, met veel ruimte tot leren en zelfontwikkeling...
Eens de visie bepaald is, moet duidelijk worden waar je als organisatie je tijd insteekt: het primaire proces. De visie wordt daardoor ontrafeld in een aantal kernopdrachten. Het verschil tussen een activiteit en een kernopdracht is soms moeilijk: een vak geven in een school is een activiteit, het nastreven van leerdoelen en talenten ontwikkelen kunnen wel beide primaire processen zijn. Door met een helikopterperspectief te kijken naar de primaire en ondersteunende (secundaire) processen en beroep te doen op sorteercriteria (bv. regio, klantendomein, bepaalden producten/diensten) kom je tot een macrostructuur (hoe verdelen we taken en verantwoordelijkheden in de organisatie) geënt op een aantal (waarde)stromen. Zie het als samenhangende delen, die een zekere onafhankelijkheid hebben in de uitvoeringsfase. Binnen het Innovatiecentrum maken we bv. een onderscheid tussen het primaire proces gericht op het begeleiden van bedrijven en dat op het onderhouden van relatiebeheer met al onze belangrijke stakeholders die vaak ook partners zijn (kenniscentra, clusters, werkgeversorganisaties,...). De sorteercriteria kiezen is trouwens niet zo evident: waarom kiezen voor regio's versus specialisatie bijvoorbeeld? Bij het Wit-Gele Kruis Oost-Vlaanderen opteerden ze uiteindelijk voor een combinatie van regioteams die de A tot Z dienstverlening in een regio aanbieden en gespecialiseerde teams voor complexe zorgtaken die door de regioteams kunnen ingeroepen worden. Daarnaast worden ondersteunende activiteiten samengebracht om de coherentie te bewaken. Een ander aandachtspunt is dat kennisdeling binnen dezelfde vakgebied bewust georganiseerd moet worden, bv. over regio's heen. Het vraagt een proces op zich. Ingenieursbureau Sweco werkt daartoe bv. met intervisie en kennisdeling via interne platformen over de regio's heen. Wij laten ons alvast inspireren door deze voorbeelden.
Het concept zelfsturende teams omvat zelfsturing, maar ook teams. Per definitie hebben teamleden mekaar nodig om het werk gedaan te krijgen. Er moet dus een afhankelijkheid zijn tussen teamleden. In sommige organisaties moeten daartoe doelbewust linken gelegd worden tussen mensen die de afhankelijkheid creëert. Zonder die afhankelijkheid is er geen echt team, maar een groep individuen met weliswaar in het beste geval wat organiserend vermogen, maar geen echt samenwerkingsvermogen. In een call-center lukt het creëren van afhankelijkheden toch nog via ondersteunende en coördinerende taken, zoals bv. het opleiden van nieuwe collega's of het halen van gedeelde teamdoelstellingen. Belangrijk aandachtspunt om afhankelijkheden te versterken is de dwingende randvoorwaarde los te laten dat iedereen alles kan. Een kennismatrix kan in beeld brengen wie waar de meeste kennis of ervaring in heeft. Een aantal criteria bepalen het ontwikkelingsstadium waarin een team zich bevindt: omgaan met vakmanschap en kennis(deling), organiserend vermogen (rolverdeling en planning), samenwerking (bv. omgaan met conflicten) en resultaatgerichtheid (mate van ownership).
Binnen een team kunnen er rollen gedefinieerd worden die vrijwillig opgenomen worden door teamleden. Dit bepaalt de microstructuur. Dit laat toe om leiderschapscapaciteiten in de organisatie maximaal te gebruiken en te laten ontwikkelen, zonder daar hiërarchische bevoegdheden aan te koppelen. Het team blijft eindverantwoordelijke en stuurt dus bij waar nodig. Juist om te vermijden dat bepaalde rolhouders zouden neigen naar 'bazig gedrag' worden de rollen halfjaarlijks terug in vraag gesteld en/of open gesteld. Ook een goed moment voor een teamintervisie, waarbij de werking van het team door het team wordt geëvalueerd. Een van de moeilijkere zaken in teams blijkt trouwens nog altijd het geven van feedback tussen teamleden. Ook daartoe wordt dus best een stimulerend kader gecreëerd. Een ander risico is dat teams eilanden worden in de organisatie. Ook het zorgen voor crosslinks tussen teams, bv. via gemeenschappelijke teamdagen is dus nuttig.
Meer zelfsturing vraagt ook een andere blik op management en leiderschap. Waar teams sterk worden door afhankelijkheden, is een team dat afhangt van een manager juist niet matuur. Leiderschap ent zich in hoofdzaak op het bewaken van de visie en waarden en moet transformatief en participatief zijn in plaats van directief. Dit vraagt bv. van een CEO een verschuiving van het taakgerichte en relationele naar het waardegericht werken en het borgen van contacten met de buitenwereld. De CEO wordt meer een klankbord. Maar in het begin van de transitie is daarentegen (bij)sturing vaak wel nodig om de lijnen uit te zetten. Managers verliezen door de veranderingen vaak hun houvast, wat resulteert in vragen en twijfels en mogelijk ook weerstand. Hun rol verschuift van management gerelateerde taken naar coaching en niet elke leidinggevende voelt zich daar comfortabel bij. Het accent verschuift immers van oplossingen aanreiken naar mensen begeleiden om zelf oplossingen voor problemen te vinden. Mensen moeten ook duidelijkheid krijgen over wat de organisatie verwacht van het individu op vlak van vaardigheden en gedrag. De basis wordt het motiveren en inspireren zodat ieders inspanningen gericht zijn op het behalen van de doelstellingen, de visie en het bewaken van de waarden. Leiderschap wordt zo een proces dat in de organisatie door velen kan opgenomen worden.
De vraag is uiteindelijk: zijn er nog bazen nodig? Er loopt veel studiewerk rond en de conclusies zijn blijkbaar niet eenduidig. Zeker bij grote bedrijven kunnen strategische keuzes, kennismanagement, loonbeleid, conflictmanagement...nog hiërarchisch gestuurd worden, maar er zijn evenzeer succesvolle voorbeelden waar dat niet langer gebeurt. Duidelijk is wel dat rollen helder moeten gedefinieerd worden voor iedereen in de organisatie. En het draagt de voorkeur om rollen te laten evolueren naargelang het team groei in maturiteit.
Dient het nog gezegd: het streven naar zelfsturende en meer mature teams, kortom een 'everyone culture' binnen een organisatie is een is een werk van vallen en opstaan over een pad geplaveid met hindernissen en onderweg met een continue aandacht voor 2 succespijlers: duurzame relaties en duidelijke communicatie. Duurzame relaties vragen een gemeenschappelijk doel, gedeelde kennis en wederzijds respect. We bouwen samen aan de verandering; niemand heeft het groot gelijk daarbij. Communicatie is best frequent, accuraat en gericht op het oplossen van problemen.
Het pad bewandelen vraagt doorzetting, maar het doel maakt het bewandelen van dit hobbelige pad de moeite: mensen hun 'ambacht' teruggeven zodat ze met volle goesting werken aan zinvol werk, met veel ruimte tot leren en zelfontwikkeling...
woensdag 31 januari 2018
Wat Malcom McLean mij leert over innovatie...
Sedert ruim 20 jaar is mijn dagelijkse uitvalsbasis gelegen
nabij het Albertkanaal. En het is goed toeven vlakbij het water. Akkoord, van
origine is zo'n kanaal geen natuurlijk verschijnsel, maar wie maalt erom.
Wandel 's avond naast het kanaal, sluit je ogen en je hoort met wat verbeelding
het ruisen van de zee. We hebben volgend jaar trouwens weer een gelegenheid tot
feesten, want in 1939 werd het kanaal officieel geopend. 9 jaar graven gingen
er aan vooraf met zo'n 12 000 mensen. Als ik onze buurman zaliger mocht geloven, was
dat een echt huzarenstuk. Niet alleen
technisch, maar ook maatschappelijk. Zo'n kanaal splitste immers dorpen
werkelijk in 2. Vooruitgang vraagt nogal wat maatschappelijke wendbaarheid en hier en daar een opoffering van het individu, al moet daar heel omzichtig mee omgesprongen worden. Een vooruitgang was het kanaal zeker. Het
verbond immers de Limburgse steenkoolmijnen (aanbodzijde) met de Waalse
smeltovens (vraagzijde) en droeg zo bij tot de economische ontwikkeling van de regio.
Wandel je overdag langs het kanaal dan zie je frequent
containerschepen passeren. Niet verrassend, gezien het Europese logistieke hart
van Nike hier vlakbij klopt en die hartspier wordt elke dag nog groter. Dat hart klopt dus aan een behoorlijk ritme, en dat
heeft het ondermeer te danken aan Malcom McLean. Als boerenzoon hielp hij bij
het verkopen van boerderijproducten en kreeg daardoor de 'commerce' in zijn
vingers. De crisis van de jaren '30 trof de boerenstiel echter vlak in zijn gezicht, zodat de jonge Malcom geld ging bij verdienen met een job in een
tankstation. Al snel kocht hij zichzelf een vrachtwagen, waarmee hij ook
katoenbalen ging leveren in de haven voor overzees transport. En dan komt de creatieve ondernemer
(kijker) weer uit de kast. Hij moest immers in de haven lang wachten terwijl
dokwerkers zijn vracht overladen in het schip. Hij bedacht zich dat het veel
sneller zou gaan als zijn ganse trailer in het schip zou getakeld worden.
Je kan je de vraag stellen of hij nu echt de eerste was die
vaststelde dat het bestaande logistiek proces inefficiënt verliep. Allicht
niet, maar hij was wel de eerste die er een zakenmodel in zag of beter gezegd, de eerste die er een zakenmodel rond maakte. In 1969, ruim 30 jaar na zijn
idee, verkocht hij zijn aandelen in Sea-Land, de toenmalige grootste container
carrier. Je kan met zekerheid stellen dat Malcom McLean geen boeken had gelezen over containertransport om zijn business uit te
werken. Hij had wel een goed stel ogen in zijn kop en had het lef om wat
hij zag te vertalen naar een onderneming. En hij deed zijn naam alle eer aan, want hij volgde een lean aanpak: proberen, valideren en bijsturen.
Elke oplossing van een probleem, brengt nieuwe problemen met
zich mee. De gravers van het Albertkanaal wisten in de jaren '30 nog niet dat
McLean de wereld van de logistiek grondig zou wijzigen. Om wat steenkool te
transporteren was een brug met een doorvaarthoogte van 7 meter ruim
voldoende. De containerschepen evolueren
echter, dus waarom geen 3 lagen containers transporteren op een binnenschip. Dit jaar wordt de brug over het Albertkanaal aan afrit Geel-Oost van de E313 vervangen. Het zal zo zijn impact hebben op reistijden richting Antwerpen. Je hoort me (nog) niet klagen:
vooruitgang vraagt wendbaarheid...
woensdag 24 januari 2018
Wat het God Complex mij leert over innovatie...
Als u af en toe een TED video bekijkt, hebt u mogelijk ooit deze bijdrage van Tim Harford opgemerkt. Hij beschrijft hierin het verhaal van de Schot Archie Cochrane die tijdens zijn verblijf in een Duits gevangeniskamp als dokter diverse patiënten redde van (allicht) Tuberculose door ze 'marmite' te geven. Cochrane werd later een bestijder van het onoordeelkundig toedienen van medicijnen en lag daarmee aan de grondslag van de 'evidence-based' geneeskunde. Hij streed naar eigen zeggen tegen het 'God complex' in de geneeskunde, vrij vertaald het geloof van vele artsen dat ze onfeilbaar waren en voor alles een oplossing konden bieden.
Dat 'God complex' lijkt in deze tijd wel erg actueel te zijn. Ik moet er aan denken als ik politicus X (bv. ergens in de VS) hoor verklaren dat met een bepaalde maatregel alle problemen van de baan zijn of als econoom Y stelt dat de aanpak van de nog hoge armoede alleen maar mogelijk is door die bepaalde oplossing. Ik heb me al dikwijls dezelfde bedenking gemaakt dat ik de eerste expert nog moet tegenkomen die toegeeft dat hij het ook nog niet goed weet en verschillende mogelijkheden best eerst vergeleken worden. Wat trial and error op zijn tijd kan geen kwaad in complexe tijden met snel veranderende omgevingscondities...
Als we de brug maken naar ondernemerschap en vooral innovatie heb ik een gemengd gevoel bij dat 'God complex'. Innoveren vergt bij aanvang immers wel degelijk een sterk vertrouwen in eigen kunnen en eigen gelijk. Als ik met ondernemers spreek over innovatie en ze catalogeren innovatie als te risicovol, is het dus zaak even hun 'God complex' aan te wakkeren dat ze hadden bij opstart van hun bedrijf. Ook toen zetten ze immers een stap in het ongewisse. Dat wordt wel even anders eens innovatieprojecten starten. Ondernemers die het 'god complex' niet tijdig afgooien, worden al snel blootgesteld aan het 'trekpaardensyndroom' een term die ik ooit opving in een sessie rond leiderschap. Het team schaart zich als één man achter de zaakvoerder of CEO als die maar weet te vertellen hoe dat de tocht verder gaat, zelfs als iedereen weet dat ze net een doodlopende straat zijn ingedraaid. Nochtans zitten de meeste bedrijven in vrij complexe omgevingen, waarin het geen schande is om toe te geven dat je het zelf niet perfect weet. Het actief betrekken van alle teamleden bij het afwegen van voor- en nadelen, kansen en opportuniteiten en mogelijke risico's van verschillende innovatietrajecten wordt dus meer en meer een sterkte in plaats van een zwakte.
Slotsom: iets meer 'god complex' bij elk van ons zou geen kwaad kunnen. We zouden immers veel meer dingen verwezenlijken als we niet zouden denken dat ze onmogelijk waren. Maar denk op tijd aan Archie Cochrane ...
Dat 'God complex' lijkt in deze tijd wel erg actueel te zijn. Ik moet er aan denken als ik politicus X (bv. ergens in de VS) hoor verklaren dat met een bepaalde maatregel alle problemen van de baan zijn of als econoom Y stelt dat de aanpak van de nog hoge armoede alleen maar mogelijk is door die bepaalde oplossing. Ik heb me al dikwijls dezelfde bedenking gemaakt dat ik de eerste expert nog moet tegenkomen die toegeeft dat hij het ook nog niet goed weet en verschillende mogelijkheden best eerst vergeleken worden. Wat trial and error op zijn tijd kan geen kwaad in complexe tijden met snel veranderende omgevingscondities...
Als we de brug maken naar ondernemerschap en vooral innovatie heb ik een gemengd gevoel bij dat 'God complex'. Innoveren vergt bij aanvang immers wel degelijk een sterk vertrouwen in eigen kunnen en eigen gelijk. Als ik met ondernemers spreek over innovatie en ze catalogeren innovatie als te risicovol, is het dus zaak even hun 'God complex' aan te wakkeren dat ze hadden bij opstart van hun bedrijf. Ook toen zetten ze immers een stap in het ongewisse. Dat wordt wel even anders eens innovatieprojecten starten. Ondernemers die het 'god complex' niet tijdig afgooien, worden al snel blootgesteld aan het 'trekpaardensyndroom' een term die ik ooit opving in een sessie rond leiderschap. Het team schaart zich als één man achter de zaakvoerder of CEO als die maar weet te vertellen hoe dat de tocht verder gaat, zelfs als iedereen weet dat ze net een doodlopende straat zijn ingedraaid. Nochtans zitten de meeste bedrijven in vrij complexe omgevingen, waarin het geen schande is om toe te geven dat je het zelf niet perfect weet. Het actief betrekken van alle teamleden bij het afwegen van voor- en nadelen, kansen en opportuniteiten en mogelijke risico's van verschillende innovatietrajecten wordt dus meer en meer een sterkte in plaats van een zwakte.
Slotsom: iets meer 'god complex' bij elk van ons zou geen kwaad kunnen. We zouden immers veel meer dingen verwezenlijken als we niet zouden denken dat ze onmogelijk waren. Maar denk op tijd aan Archie Cochrane ...
woensdag 17 januari 2018
Wat een verkeerslicht mij leert over innovatie...
Er is iets merkwaardig aan verkeerslichten: ze veranderen niet. Of lijkt dat maar zo? Vast staat dat ze een rijke geschiedenis hebben die ze wereldwijd tot een herkenbare standaard gemaakt hebben. Het is altijd opgelucht adem halen als je de eerste keer in een land passeert en merkt dat het groen licht je enige zekerheid geeft van voorrang. Met voorrang van rechts is die zekerheid van standaardisatie behoorlijk minder groot. Het zal in december 2018 exact 150 jaar geleden zijn dat het eerste verkeerslicht, die naam waardig, in gebruik werd genomen in Londen. Het was een gaslamp, uiteraard manueel bediend door een politieman, met daarop de woorden 'proceed' en 'stop'. De bedenker was John Peake Knight, een treiningenieur met associatietalent om oplossingen uit de trein business te vertalen naar het wegverkeer, toen nog gedomineerd door de paardenkoets. Overdag bediende een politieman zich van een groene en rode vlag, 's nachts stak hij een rode en groen gaslamp aan. Een echt succes werd het niet, want één maand later ontplofte zo'n lamp met de dood van zijn gebruiker tot gevolg. Innovatie is een proces van vallen en opstaan. De UK had zou de volgende 40 jaar haar handen afhouden van verkeerslichten.
Amerika daarentegen pikte de technologie verder op en ontwikkelde die in 1912 door tot wat we nu kennen als een verkeerslicht met 3 lichten: groen-oranje-rood. Dat oranje licht voegde men toe als buffer: het vroeg wat tijd om te schakelen van groen licht naar rood en omgekeerd. In 1927 werden volautomatische lichten een feit. En vanaf toen lijkt er nog weinig beweging in de technologie. Ja, door de opkomst van de computer en detectiesensors werd de bediening van die lichten meer afgestemd op de actuele verkeersinformatie, maar al bij al blijft de technologie ongewijzigd. Ik moest er aan denken toen ik gisteren stond te wachten aan een rood licht terwijl er voor de rest niemand te bespeuren was. Een herkenbare situatie, veronderstel ik. Het wordt tijd dat iemand het licht ziet om deze technologie naar de 21ste eeuw te brengen.
In essentie regelt zo'n verkeerslicht het verkeer en net daar zit een enorm verbeterpotentieel in tijden van Internet of Things, big data en artificiële intelligentie. Een netwerk van verkeerslichten is een enorm sterke hefboom om verkeerssituaties op elk moment van de dag bij te sturen. Ze laten toe om verkeersstromen slim te bufferen: je stopt dan niet aan een licht om anderen voor te laten, maar om te bewaken dat er stroomafwaarts geen verkeerscongestie komt. Koppel een gans netwerk van verkeerslichten met een netwerk van sensoren en je krijgt een krachtige beheersmodule die zichzelf stuurt op basis van momentane data: een autonoom verkeerslichtennetwerk. Sterker wordt het nog als we daar een sociale communicatielaag opleggen. Ik merk steevast dat lichten met een timer mensen veel sterker motiveren om effectief te wachten tot het groen wordt. Waarom en 'hoe lang' zijn nogal van impact op menselijke motivatie in tijden van massale prikkeling. Moest ik gisteren aan dat rood licht kunnen zien waarom ik stilstond, bv. omdat daardoor Waze zich kon bedenken en me signaleerde dat er verderop net een ongeluk was gebeurd zodat ik beter een alternatieve route nam, ik zou het niet bepaald erg gevonden hebben...
Amerika daarentegen pikte de technologie verder op en ontwikkelde die in 1912 door tot wat we nu kennen als een verkeerslicht met 3 lichten: groen-oranje-rood. Dat oranje licht voegde men toe als buffer: het vroeg wat tijd om te schakelen van groen licht naar rood en omgekeerd. In 1927 werden volautomatische lichten een feit. En vanaf toen lijkt er nog weinig beweging in de technologie. Ja, door de opkomst van de computer en detectiesensors werd de bediening van die lichten meer afgestemd op de actuele verkeersinformatie, maar al bij al blijft de technologie ongewijzigd. Ik moest er aan denken toen ik gisteren stond te wachten aan een rood licht terwijl er voor de rest niemand te bespeuren was. Een herkenbare situatie, veronderstel ik. Het wordt tijd dat iemand het licht ziet om deze technologie naar de 21ste eeuw te brengen.
In essentie regelt zo'n verkeerslicht het verkeer en net daar zit een enorm verbeterpotentieel in tijden van Internet of Things, big data en artificiële intelligentie. Een netwerk van verkeerslichten is een enorm sterke hefboom om verkeerssituaties op elk moment van de dag bij te sturen. Ze laten toe om verkeersstromen slim te bufferen: je stopt dan niet aan een licht om anderen voor te laten, maar om te bewaken dat er stroomafwaarts geen verkeerscongestie komt. Koppel een gans netwerk van verkeerslichten met een netwerk van sensoren en je krijgt een krachtige beheersmodule die zichzelf stuurt op basis van momentane data: een autonoom verkeerslichtennetwerk. Sterker wordt het nog als we daar een sociale communicatielaag opleggen. Ik merk steevast dat lichten met een timer mensen veel sterker motiveren om effectief te wachten tot het groen wordt. Waarom en 'hoe lang' zijn nogal van impact op menselijke motivatie in tijden van massale prikkeling. Moest ik gisteren aan dat rood licht kunnen zien waarom ik stilstond, bv. omdat daardoor Waze zich kon bedenken en me signaleerde dat er verderop net een ongeluk was gebeurd zodat ik beter een alternatieve route nam, ik zou het niet bepaald erg gevonden hebben...
donderdag 11 januari 2018
Wat madame Soleil me leert over innovatie...
Eén van de meest duurzame trends is allicht het jaarlijks rondje trends 'tappen'. Nog voor het nieuwe jaar in de startblokken stond, werden we naar aloude traditie bedolven onder de voorspellingen wat 2018 ons zal brengen. Madame Soleil verbleekt in het niets met die tsunami aan voorspellingen. Al is het woord voorspelling in casu misplaatst. Wie 20 jaar terug had gemeld dat we in 2018 zouden betalen met een uit de hand gelopen draagbare telefoon, zou daar allicht geen frank voor gekregen hebben. De echte Madame Soleil is ondertussen al meer dan 20 jaar gestorven. Het is me een raadsel of ze haar eigen dood voorspeld had.
De huidige trendrapporten voorspellen niets over 2032. Gelukkig maar. Eigenlijk vertellen ze vooral wat er op dit moment in de wereld aan het gebeuren is, hier en daar uiteraard gekleurd door de ogen van de waarnemer. Een titel met de woorden 'trends' en '2018' neem je dan best ook met een korrel zout. Nogal wat van die trends passeerden ook de afgelopen jaren de revue. Dat is ook niet meer dan normaal. Statistisch gezien is een trend per slot van rekening de geschatte evolutie van een bepaalde ontwikkeling, liefst gebaseerd op historische data. Mensen die iets anders beweren, mogen een persoonlijk bezoek van Gili krijgen. Het loont in die zin trouwens zeer de moeite om trendrapporten over enkele jaren te vergelijken. De doorsnede over die jaren is een veel betere indicator van de echt relevante ontwikkelingen en het laat toe om dromen en realiteit te scheiden.
Als ik met ondernemers spreek, neem ik de woorden 'toekomst' en 'trend' nooit samen in de mond. Als ik bij een gemiddelde KMO het belang van trends aanhaal, lijkt mijn geloofwaardigheidsfactor immers vaak exponentieel de dieperik in te gaan. "Wij spelen niet in op modeverschijnselen mijnheer en denken al zeker niet dat we een glazen bol hebben." Trendanalyses zijn niet vrij van een afgeleide van de Heisenberg onzekerheidsrelatie: het meten beïnvloedt de uitkomst, stelt men wel eens Als maar voldoende studies een bepaalde trend als belangrijk vooropstellen, gaan bedrijven daarop inspelen en realiseert de trend zich. Grote bedrijven en hun marketing bureaus zouden daar hun voordeel mee kunnen doen. Trendanalyse neigt dan iets teveel naar prescriptieve kennis: een beschrijving van de methode om tot een gewenste economische situatie te bekomen. Vergelijk het met de impact van het oordeel van belangrijke beursanalisten op de beweging van sommige aandelen of de bitcoin. Bij sommige trendrapporten lijkt de keuze van een goede trendnaam - liefst een neologisme - trouwens de leidraad voor de keuze van de trends zelf: betweenity, new tribalism, nybridisering ...
Maar moest u daar aan twijfelen: ik ben voor alle duidelijkheid voorstander van trendanalyses als ze grondig aangepakt zijn en onderbouwd met sociologisch onderzoek. Ik heb het dan niet zozeer over de eindejaarslijstjes van de Vox Experti, maar wel over onderzoek naar sectoriële en/of technologische evoluties. Voor een bedrijf is het vaak niet mogelijk om een goed helikopterperspectief te houden, zeker niet in tijden waarin de nood aan multidisciplinariteit meer regel dan uitzondering is. Diverse bedrijven hebben als kernactiviteit om zo'n helikopterperspectief te scheppen en je kan daar dus je voordeel mee doen. Goede rapporten zijn voor alle duidelijkheid niet gratis, maar misschien is het wel een gezonde trend dat kwaliteit zich laat betalen...
Trouwens één ding hebben die trendrapporten alvast wel gemeen met Madame Soleil. Meer dan astrologe was zij voor veel mensen een licht in de duisternis die er met haar voorspellingen wonderwel in slaagde om het moreel van mensen terug op te krikken. Trendrapporten geven je in deze economisch wat lastiger tijden, alvast wat inspiratie om het moreel van je bedrijf een (nieuwe) boost te geven en nieuwe innovatiekansen te ontdekken.
Ik wens je alvast een inspirerend en uiteraard innovatief 2018!
De huidige trendrapporten voorspellen niets over 2032. Gelukkig maar. Eigenlijk vertellen ze vooral wat er op dit moment in de wereld aan het gebeuren is, hier en daar uiteraard gekleurd door de ogen van de waarnemer. Een titel met de woorden 'trends' en '2018' neem je dan best ook met een korrel zout. Nogal wat van die trends passeerden ook de afgelopen jaren de revue. Dat is ook niet meer dan normaal. Statistisch gezien is een trend per slot van rekening de geschatte evolutie van een bepaalde ontwikkeling, liefst gebaseerd op historische data. Mensen die iets anders beweren, mogen een persoonlijk bezoek van Gili krijgen. Het loont in die zin trouwens zeer de moeite om trendrapporten over enkele jaren te vergelijken. De doorsnede over die jaren is een veel betere indicator van de echt relevante ontwikkelingen en het laat toe om dromen en realiteit te scheiden.
Als ik met ondernemers spreek, neem ik de woorden 'toekomst' en 'trend' nooit samen in de mond. Als ik bij een gemiddelde KMO het belang van trends aanhaal, lijkt mijn geloofwaardigheidsfactor immers vaak exponentieel de dieperik in te gaan. "Wij spelen niet in op modeverschijnselen mijnheer en denken al zeker niet dat we een glazen bol hebben." Trendanalyses zijn niet vrij van een afgeleide van de Heisenberg onzekerheidsrelatie: het meten beïnvloedt de uitkomst, stelt men wel eens Als maar voldoende studies een bepaalde trend als belangrijk vooropstellen, gaan bedrijven daarop inspelen en realiseert de trend zich. Grote bedrijven en hun marketing bureaus zouden daar hun voordeel mee kunnen doen. Trendanalyse neigt dan iets teveel naar prescriptieve kennis: een beschrijving van de methode om tot een gewenste economische situatie te bekomen. Vergelijk het met de impact van het oordeel van belangrijke beursanalisten op de beweging van sommige aandelen of de bitcoin. Bij sommige trendrapporten lijkt de keuze van een goede trendnaam - liefst een neologisme - trouwens de leidraad voor de keuze van de trends zelf: betweenity, new tribalism, nybridisering ...
Maar moest u daar aan twijfelen: ik ben voor alle duidelijkheid voorstander van trendanalyses als ze grondig aangepakt zijn en onderbouwd met sociologisch onderzoek. Ik heb het dan niet zozeer over de eindejaarslijstjes van de Vox Experti, maar wel over onderzoek naar sectoriële en/of technologische evoluties. Voor een bedrijf is het vaak niet mogelijk om een goed helikopterperspectief te houden, zeker niet in tijden waarin de nood aan multidisciplinariteit meer regel dan uitzondering is. Diverse bedrijven hebben als kernactiviteit om zo'n helikopterperspectief te scheppen en je kan daar dus je voordeel mee doen. Goede rapporten zijn voor alle duidelijkheid niet gratis, maar misschien is het wel een gezonde trend dat kwaliteit zich laat betalen...
Trouwens één ding hebben die trendrapporten alvast wel gemeen met Madame Soleil. Meer dan astrologe was zij voor veel mensen een licht in de duisternis die er met haar voorspellingen wonderwel in slaagde om het moreel van mensen terug op te krikken. Trendrapporten geven je in deze economisch wat lastiger tijden, alvast wat inspiratie om het moreel van je bedrijf een (nieuwe) boost te geven en nieuwe innovatiekansen te ontdekken.
Ik wens je alvast een inspirerend en uiteraard innovatief 2018!
woensdag 13 december 2017
Wat de Fabeltjeskrant mij leert over innovatie...
![]() |
| (c) Wikimedia |
Wie fabuleert heeft fantasieën die onbewust als een feitelijk verslag naar boven komt in het geheugen. Een confabulatie kan dus deels gebaseerd zijn op feiten, maar die worden onbewust aangedikt of gespekt met verzonnen data. Dergelijk afwijkend gedrag kan resulteren uit hersenletsels, maar komt evenzeer voor bij u en ik, naar ik hoop beiden voorzien van een goed functionerend geheugen en gezonde hersenen. De Zweedse filosoof Lars Hall verrichtte in het verleden experimenten waarbij mensen kaarten voor zich kregen met daarop steeds foto's van verschillende personen. Ze moesten daarbij kiezen welk van beiden het aantrekkelijkst was. Wat ze niet wisten is dat de man achter de kaarten een goochelaar was die ongemerkt de kaarten wisselde na hun keuze. Mensen werden daarna gevraagd om te duiden waarom ze kozen voor het gekozen gezicht. Hoewel op dat moment de kaart voor hen lag die ze initieel niet kozen, onderbouwden ze toch in geuren en kleuren hun keuze. In een vergelijkbare Amerikaanse test moesten mensen kiezen uit 4 kledingstukken die exact hetzelfde waren. Toch gaven ze de meest irrationele verklaringen om hun keuze te onderbouwen.
Dat fabuleren is dus best wel intrigerend. Zelfs als we denken dat we rationeel handelen en onderbouwd besluiten nemen, nemen we daarbij allicht een loopje met de realiteit. Het risico op confabulatie lijkt groter te worden als we beslissingen nemen of moeten nemen waarbij we weinig houvast hebben. Nogal wat beslissingen in innovatietrajecten worden juist gekenmerkt door een grote onzekerheid. De kans is dus groot dat er nogal wat af gefabuleerd wordt bij het innoveren. Spreek je met starters maar ook met meer mature bedrijven die denken aan een nieuwe ontwikkeling en stel je de vraag 'willen klanten dit wel'? Vraag dan vooral door als er antwoorden volgen die sterke interesse voor het nieuwe product toewijden aan specifiek klantengroepen. Een 'kom eens terug als je iets concreet hebt' van een klant wordt al snel een 'prachtig product: ik ben de eerste koper' in de oren van de innovator. Wat gefabuleer is nooit ver weg bij het omschrijven van de marktinteresse...
woensdag 6 december 2017
Wat de wet van coulomb mij leert over innovatie...
Een tijd terug werd ik nog eens even ondergedompeld in de fascinerende wereld van de fysica, meer specifiek die van de elektriciteit. Aanleiding was de vraag van een neefje dat zich voorbereidde op een examen. Die stelt vragen die je reputatie als ingenieur aan flarden kunnen schieten als je het antwoord schuldig moet blijven. Dat risico is reëel. Per slot van rekening zijn de kandidaturen stilaan een vervlogen herinnering en is veel van de toen verworven basiskennis gearchiveerd in de diepere coulissen van mijn temporaalkwab. Maar toen de term 'Wet van Coulomb' viel, zat ik zowaar terug even in aula G op de campus in Heverlee waar ene professor Langouche met veel overtuiging de pracht van deze fysische wetmatigheid bezong. De wet beschrijft dat de kracht tussen twee elektrische deeltjes (puntladingen) evenredig is met hun ladingen en omgekeerd evenredig met de afstand tussen de deeltjes in het kwadraat. Deeltjes met een verschillende lading trekken mekaar aan, deeltjes met een zelfde lading stoten mekaar af. Of kortweg voor de echte fysici onder ons veel korter verteld: Fe = (k.q1.q2)/r^2.
Dat deeltjes met een verschillende lading mekaar aantrekken en met een zelfde lading mekaar afstoten is niet zo evident. In de biologie en maatschappelijke context trekken immers vooral species van dezelfde soort mekaar aan. De voorbeelden zijn legio. Soort zoekt soort noemen ze dat wel eens aan een of andere Vlaamse cafétoog. Nochtans is evolutionair gezien juist het samenbrengen van verschillende species zeer verrijkend geweest en is het dat nog altijd. Tegengestelde polen kunnen mekaar enorm sterk versterken, niet alleen evolutionair, maar ook relationeel, tenminste als ze een gemeenschappelijk doel delen. Als ik daar dieper over nadenk, stelt zich vaak een zelfde probleem binnen organisaties. Bij het rekruteren van mensen ga je toch al snel aftasten of een kandidaat goed aansluit bij het gemeenschappelijk DNA van het bestaande team en voor je het weet bij je eigen DNA. "Het moet toch klikken...". Uiteraard valt daar iets voor te zeggen. Je wil vermijden dat je na 2 maanden moet vaststellen dat nieuweling en bestaand team van het ene conflict in het andere rollen omdat er geen match is tussen hun aanpak en waarden. En toch...
Misschien is het vanuit innovatiestandpunt niet slecht om af en toe een vreemde eend in de bijt te halen. Ralph Katz van de MIT Sloan School of Management in Cambridge verrichte nogal wat onderzoek op de houdbaarheid van teams. De studies geven aan dat de effectiviteit van teams na 5 jaar over zijn hoogtepunt is. Op dat moment zijn de teamleden zo sterk op mekaar ingespeeld dat ze gelijkdenkend worden, ook al was het oorspronkelijke team goed complementair in samenstelling. En dat is natuurlijk een gevaarlijk keerpunt, want gebrek aan zelfkritiek leidt al snel tot allerhande blinde vlekken en overschatting. Ze verliezen daardoor aan slagkracht, zeker als het aankomt op vernieuwing. 5 jaar lijkt me wel erg kort, maar feit is dat organisatieblindheid geen verzinsel is van consultants die als éénoog koning willen spelen in het land der blinden.
Het kan dus geen kwaad om bij het continu evalueren van teams, bij het inbrengen van nieuwe teamleden of samenbrengen van teams de Wet van Coulomb in het achterhoofd te houden en tegengestelde polen samen te brengen. Ze kunnen mekaar goed aanvullen en banden smeden die onverwacht sterk zijn. In het begin is het wat onwennig, maar mits een gemeenschappelijk doel kan dit al snel een enorme innovatiepuls geven ...
Dat deeltjes met een verschillende lading mekaar aantrekken en met een zelfde lading mekaar afstoten is niet zo evident. In de biologie en maatschappelijke context trekken immers vooral species van dezelfde soort mekaar aan. De voorbeelden zijn legio. Soort zoekt soort noemen ze dat wel eens aan een of andere Vlaamse cafétoog. Nochtans is evolutionair gezien juist het samenbrengen van verschillende species zeer verrijkend geweest en is het dat nog altijd. Tegengestelde polen kunnen mekaar enorm sterk versterken, niet alleen evolutionair, maar ook relationeel, tenminste als ze een gemeenschappelijk doel delen. Als ik daar dieper over nadenk, stelt zich vaak een zelfde probleem binnen organisaties. Bij het rekruteren van mensen ga je toch al snel aftasten of een kandidaat goed aansluit bij het gemeenschappelijk DNA van het bestaande team en voor je het weet bij je eigen DNA. "Het moet toch klikken...". Uiteraard valt daar iets voor te zeggen. Je wil vermijden dat je na 2 maanden moet vaststellen dat nieuweling en bestaand team van het ene conflict in het andere rollen omdat er geen match is tussen hun aanpak en waarden. En toch...
Misschien is het vanuit innovatiestandpunt niet slecht om af en toe een vreemde eend in de bijt te halen. Ralph Katz van de MIT Sloan School of Management in Cambridge verrichte nogal wat onderzoek op de houdbaarheid van teams. De studies geven aan dat de effectiviteit van teams na 5 jaar over zijn hoogtepunt is. Op dat moment zijn de teamleden zo sterk op mekaar ingespeeld dat ze gelijkdenkend worden, ook al was het oorspronkelijke team goed complementair in samenstelling. En dat is natuurlijk een gevaarlijk keerpunt, want gebrek aan zelfkritiek leidt al snel tot allerhande blinde vlekken en overschatting. Ze verliezen daardoor aan slagkracht, zeker als het aankomt op vernieuwing. 5 jaar lijkt me wel erg kort, maar feit is dat organisatieblindheid geen verzinsel is van consultants die als éénoog koning willen spelen in het land der blinden.
Het kan dus geen kwaad om bij het continu evalueren van teams, bij het inbrengen van nieuwe teamleden of samenbrengen van teams de Wet van Coulomb in het achterhoofd te houden en tegengestelde polen samen te brengen. Ze kunnen mekaar goed aanvullen en banden smeden die onverwacht sterk zijn. In het begin is het wat onwennig, maar mits een gemeenschappelijk doel kan dit al snel een enorme innovatiepuls geven ...
woensdag 29 november 2017
Wat het Coanda effect mij leert over innovatie...
In 'analoge' tijden, ergens anno 1991, had ik het genoegen wekelijks ondergedompeld te worden in de cursus Stromingsleer van Professor Jan Mewis aan de KULeuven. Voor alle duidelijkheid: in deze cursus geen aandacht voor Schelde en IJzerbekken, maar wel voor de wijze waarop bijvoorbeeld het Scheldewater zich gedraagt als je met je sloep het water doorklieft. Een van de leidende inzichten daarbij baseert zich op een principe voor het eerst in kaart gebracht door de Roemeen Henri Coanda.
Met als vader een Roemeense generaal was het levenspad van Henri Coanda vanaf de geboorte bezegeld. Na zijn opleiding aan de militaire school vertoefde hij 2 jaar in België aan het Montefiore Instituut van de Universiteit Luik. Daar kwam hij in contact met de Italiaanse vliegtuigbouwer Gianni Caproni, in wie zijn atelier hij zijn eerste vliegtuig bouwde, de Coanda-1910. Bij testen met dit prototype vliegtuig stelde hij vast dat de omgevingslucht zich als het ware 'vastkleeft' aan de convexe wanden in plaats van een rechte lijn te volgen. Gevolg was dat zijn prototype beschadigd werd. Ontwerpers van vliegtuigen doen vandaag nog steeds hun voordeel met dit inzicht. Door vleugels immers een convexe vorm te geven, wordt de luchtstroom, die het vleugeloppervlak volgt, naar beneden afgebogen. Dit resulteert in een tegengestelde opwaartse kracht die bijdraagt aan het vliegvermogen.
De menselijke geest zit soms raar in mekaar. Ik moest terugdenken aan dit Coanda-effect toen ik vorige week een artikel las over strategische tegenpolen. Enerzijds heb je succesvolle bedrijven die uitgaan van een zeer sterke visie en recht door zee blijven vasthouden aan die visie. Rode draad is de aanwezigheid van een leider met als ambitie om recht door zee op het doel af te gaan. Grote veranderingsoperaties zijn het summum om dat doel snel te halen. Iedere keer als er een hindernis opduikt, wordt ze straal genegeerd. Iedere keer als er een opportuniteit op het pad ligt die niet past in de visie, wordt die ook straal genegeerd. De organisatie daarentegen heeft, Coanda-gewijs, bij elke hindernis en opportuniteit de neiging om af te buigen. De stroming van leider en team verloopt zo niet meer parallel, met veel efficiëntieverlies tot gevolg. Je kan het Coanda effect in organisaties niet negeren...
Daar tegenover staan organisaties waarbij de leider elke hindernis of opportuniteit op de weg volgt. Het coanda-effect heeft echter zijn beperkingen. Als de 'Angle of Attack' (zie figuur) te groot wordt, kan de organisatie niet meer volgen. Het resultaat zijn diverse wervelingen die het vliegtuig in gevaar brengen. Het doel is dan ook ver weg...
Je hebt echter ook organisaties die zich onbewust goed bewust zijn van dit Coanda-effect. Ze gebruiken elke hindernis en opportuniteit die zich voordoet in hun voordeel om sneller hun doelstellingen te bereiken. Ze voorzien wat 'deflectoren' op de hindernis waardoor de organisatie (luchtstroom) in de goede richting wordt gestuurd en bijkomend nog meer draagvlak (lift) creëert. Ze beseffen dat verandering en innovatie een continu proces is en geen jaarlijkse momentopname...
Met als vader een Roemeense generaal was het levenspad van Henri Coanda vanaf de geboorte bezegeld. Na zijn opleiding aan de militaire school vertoefde hij 2 jaar in België aan het Montefiore Instituut van de Universiteit Luik. Daar kwam hij in contact met de Italiaanse vliegtuigbouwer Gianni Caproni, in wie zijn atelier hij zijn eerste vliegtuig bouwde, de Coanda-1910. Bij testen met dit prototype vliegtuig stelde hij vast dat de omgevingslucht zich als het ware 'vastkleeft' aan de convexe wanden in plaats van een rechte lijn te volgen. Gevolg was dat zijn prototype beschadigd werd. Ontwerpers van vliegtuigen doen vandaag nog steeds hun voordeel met dit inzicht. Door vleugels immers een convexe vorm te geven, wordt de luchtstroom, die het vleugeloppervlak volgt, naar beneden afgebogen. Dit resulteert in een tegengestelde opwaartse kracht die bijdraagt aan het vliegvermogen.
De menselijke geest zit soms raar in mekaar. Ik moest terugdenken aan dit Coanda-effect toen ik vorige week een artikel las over strategische tegenpolen. Enerzijds heb je succesvolle bedrijven die uitgaan van een zeer sterke visie en recht door zee blijven vasthouden aan die visie. Rode draad is de aanwezigheid van een leider met als ambitie om recht door zee op het doel af te gaan. Grote veranderingsoperaties zijn het summum om dat doel snel te halen. Iedere keer als er een hindernis opduikt, wordt ze straal genegeerd. Iedere keer als er een opportuniteit op het pad ligt die niet past in de visie, wordt die ook straal genegeerd. De organisatie daarentegen heeft, Coanda-gewijs, bij elke hindernis en opportuniteit de neiging om af te buigen. De stroming van leider en team verloopt zo niet meer parallel, met veel efficiëntieverlies tot gevolg. Je kan het Coanda effect in organisaties niet negeren...
Daar tegenover staan organisaties waarbij de leider elke hindernis of opportuniteit op de weg volgt. Het coanda-effect heeft echter zijn beperkingen. Als de 'Angle of Attack' (zie figuur) te groot wordt, kan de organisatie niet meer volgen. Het resultaat zijn diverse wervelingen die het vliegtuig in gevaar brengen. Het doel is dan ook ver weg...
Je hebt echter ook organisaties die zich onbewust goed bewust zijn van dit Coanda-effect. Ze gebruiken elke hindernis en opportuniteit die zich voordoet in hun voordeel om sneller hun doelstellingen te bereiken. Ze voorzien wat 'deflectoren' op de hindernis waardoor de organisatie (luchtstroom) in de goede richting wordt gestuurd en bijkomend nog meer draagvlak (lift) creëert. Ze beseffen dat verandering en innovatie een continu proces is en geen jaarlijkse momentopname...
woensdag 15 november 2017
Wat Alexander de Grote me leert over innovatie...
Een artikel over Midas Dekkers, prikkelde wat mijn 'onomastische' nieuwsgierigheid naar de oorsprong van de naam Midas. Meteen het begin van een reis naar de Klassieke Oudheid, meerbepaald het koninkrijk Frygië. Het situeerde zich in de regio rond het huidige Turkse Ankara. Midas was een van de legendarische koningen van dit door mythologie gedreven koninkrijk. Toen Midas de god van de muziek Apollon beledigde door te zeggen dat de god Pan mooiere muziek maakte, gaf die eerste hem behaarde ezelsoren. Dat waren nog eens tijden... Midasoren werden zo synoniem voor ezelsoren en de metafoor voor domheid. Ik heb met verbazing de verhitte discussies op de sociale media van de afgelopen weken gevolgd. Ze was rijkelijk bezaaid met midasoren.Dit merkwaardig koninkrijk bracht nog een ander bekende personaliteit voor. Of hij nu al dan niet de vader is van Midas - de meningen daarover zijn verdeeld - laten we in het midden. Gordias was zijn naam. Toen de Frygiërs zonder koning zaten, decreteerde een orakel dat de eerste man die met met een ossenkar de stad binnenreed, koning moest worden. De arme boer Gordias had het vlaggen... Het juk van zijn ossenwagen werd met een goddelijke knoop verbonden met een disselboom. Wie er ooit slaagde om die knoop te ontwarren, was gebeiteld om heerser over de regio te worden volgens een orakel. Gedurfde uitspraken waren die orakels niet vreemd. Eigenlijk waren ze gedroomde initiators voor innovatie.
In de 4de eeuw voor Christus trok Alexander de Grote met zijn leger Frygië binnen. Toen hij hoorde van de Gordiaanse Knoop, hakte hij met één zwaard de knoop door. Het grote spreukenboek was weer toe aan een nieuwe versie voorzien van 'De Knoop Doorhakken' wat zoveel betekent als bij een moeilijk probleem met veel vastberadenheid toch een beslissing nemen.
Innovatie lijkt bij sommige bedrijven op een Gordiaanse Knoop. Dagelijks zijn er diverse moderne orakels die proclameren dat innovatie een must is. Wie de Gordiaanse Innovatieknoop kan ontwarren zal in zijn sector eer en glorie verdienen en er nog geld aan verdienen ook is dan de boodschap. Maar zo'n orakels brengen weinig concreets bij om de gemiddelde kmo, die overweldigd wordt door termen als blockchain, virtual en augmented reality en andere big data, verder te helpen. Bedrijven die proberen om de knoop te ontwarren met oude methodes blijven vaak gedesillusioneerd achter. 'De markt wil helemaal niet dat wij innoveren. Ze willen meer van hetzelfde, maar goedkoper. en sneller' Tot er plots een onverwachte speler in hun markt binnenvalt die lak heeft aan de heersende vooronderstellingen en gewoontes en onder het motto 'there are no rules' de innovatieknoop doorhakt door een totaal verschillend businessmodel in te voeren. Alexander de Grote leert me dat het nemen van een beslissing om de uitdaging aan te gaan en geloof in eigen kunnen alvast een eerste belangrijke stap is op weg naar succes. Hij was verder ook sterk in het sluiten van strategische allianties om zijn doelen te bereiken. Voor je het weet ben je met die combinatie de Alexander de Grote van je sector...
woensdag 8 november 2017
Wat een ronde koe mij leert over innovatie...
"Hoe? Komt melk echt van de koe? Die wordt toch gemaakt in een fabriek?" Aan het woord een leerling in het eerste jaar secundair. Je zou denken dat het broodjeaapverhaal is, maar ik krijg ze uit de eerste hand onder mijn dak. Vervang melk door vlees en je hebt een variante die ook al een paar keer de revue passeerde de voorbije jaren. Industrialisering van de voedingsketen heeft zo zijn gevolgen. Recent sprak een ondernemer me aan met de melding hoe erg het is dat jongeren geen inzicht meer hebben in de werking van onze maatschappij en dus ook niet in het feit hoe belangrijk ondernemingen zijn om die maatschappij duurzaam te maken. Gelijk heeft hij. Net op een moment dat ons financieringsmodel kraakt, lijkt het erop dat we vergeten zijn hoe dat model juist in mekaar zit. Hoe dat overheden gefinancierd worden. Hoe dat het creëren van tewerkstelling daarbij een belangrijke pijler is. Misschien brengt de spanning in het systeem net verlichting en inzicht. Leonard Cohen zaliger indachtig met de recente radio 1 sessie: 'There is a crack in everything, that's how the lights gets in'.
Maar terug naar de koe en een echt broodjeaapverhaal. Een landbouwer stelde vast dat de melkproductie van zijn veestapel aan het verminderen was. Hij had al diverse pogingen ondernomen om die trend te keren, bv. door de hoeveelheid en samenstelling van het veevoer aan te passen en door de 9de van Beethoven door de boxen te laten schallen. Ten einde raad klopt hij aan bij de lokale universiteit om een oplossing uit te werken. De universiteit ziet de opportuniteit en stelt, zoals dat hoort, een multidisciplinair team samen van professoren, geleid door een theoretische fysicus. Na 2 weken studiewerk, klopt de teamleider aan bij de landbouwer met de melding: "we hebben de oplossing, maar ze werkt alleen voor ronde koeien in een ruimte met vacuüm." De 'spherical cow' metafoor was een feit: je kan de complexe realiteit dusdanig vereenvoudigen om dingen te berekenen of zelfs gewoon een plaats te geven en daardoor volledig vervreemden van diezelfde realiteit.
Nochtans is zo'n ronde koe soms best wel handig. De complexiteit van onze maatschappij zou anders leiden tot een volledige stilstand. Geen enkel initiatief van enige schaal kan perfect voorspellen welke impact het genereert. Het vereenvoudigen van de realiteit is dan de enige manier om hoe dan ook verandering te initiëren. Organisaties die innoveren, maken al dan niet bewust hun eigen ronde koe om stappen in het onbekende te zetten. Specifiek bij veranderingsprocessen maakt iedereen zijn eigen ronde koe van de nieuwe te verwachten realiteit. In het beste geval rollen al die exemplaren min of meer in dezelfde richting...
Maar terug naar de koe en een echt broodjeaapverhaal. Een landbouwer stelde vast dat de melkproductie van zijn veestapel aan het verminderen was. Hij had al diverse pogingen ondernomen om die trend te keren, bv. door de hoeveelheid en samenstelling van het veevoer aan te passen en door de 9de van Beethoven door de boxen te laten schallen. Ten einde raad klopt hij aan bij de lokale universiteit om een oplossing uit te werken. De universiteit ziet de opportuniteit en stelt, zoals dat hoort, een multidisciplinair team samen van professoren, geleid door een theoretische fysicus. Na 2 weken studiewerk, klopt de teamleider aan bij de landbouwer met de melding: "we hebben de oplossing, maar ze werkt alleen voor ronde koeien in een ruimte met vacuüm." De 'spherical cow' metafoor was een feit: je kan de complexe realiteit dusdanig vereenvoudigen om dingen te berekenen of zelfs gewoon een plaats te geven en daardoor volledig vervreemden van diezelfde realiteit.
Nochtans is zo'n ronde koe soms best wel handig. De complexiteit van onze maatschappij zou anders leiden tot een volledige stilstand. Geen enkel initiatief van enige schaal kan perfect voorspellen welke impact het genereert. Het vereenvoudigen van de realiteit is dan de enige manier om hoe dan ook verandering te initiëren. Organisaties die innoveren, maken al dan niet bewust hun eigen ronde koe om stappen in het onbekende te zetten. Specifiek bij veranderingsprocessen maakt iedereen zijn eigen ronde koe van de nieuwe te verwachten realiteit. In het beste geval rollen al die exemplaren min of meer in dezelfde richting...
donderdag 26 oktober 2017
Wat armoede me leert over innovatie...
Waarom nemen arme mensen zo veel domme beslissingen in hun leven? Meer provocerend kan je een blogbericht allicht niet beginnen. Het is nochtans een vraag die een week na17 oktober, de dag van de armoede, wel eens aan bod mag komen. We leven per slot van rekening in een tijd waar individuele verantwoordelijkheid om kansen te grijpen en zelfredzaamheid hoog ingeschat wordt. Op zich is daar niks mis mee. Mensen moeten aangemoedigd worden om initiatief te nemen om hun leven zelf in handen te nemen en samen een maatschappij uit te bouwen die gewapend is voor de uitdagingen van de toekomst. Die uitdagingen worden niet in het minst bepaald door schaarste. Energie, grondstoffen, arbeidskrachten, filevrije wegen, tijd, euro's...schaarste is een dominant begrip in de dagelijkse persberichten en in wandelgangen van veel organisaties. Al sinds oudsher is schaarste een enorme drijvende kracht voor innovatie. 'More with less' is in veel sectoren een credo dat sterk ingebakken is. Meer energie per eenheid gewicht voor batterijen, meer output per m² voor machinebouwers tot meer ingepakte dozen per dag voor chocoladebedrijven ala Tytgat Chocolat. Zolang schaarste niet absoluut wordt, wat dan bv. resulteert in hongersnoden, is het een drijver voor vooruitgang en innovatie.
De laatste jaren duikt er evenwel een ander soort van onderzoek op naar schaarste: de psychologische. Vooral de Amerikaanse professor Eldar Shaffir is daarbij één van de leidende stemmen. Uitgangsvraag: wat gebeurt er als schaarste bezit neemt van de geest? Conclusie: mensen handelen op een andere manier als ze een gevoel van gebrek hebben. In de economie is per definitie alles schaars. Ja, er bestaat zoiets als vrije goederen, waarvoor je geen productiemiddelen moet opofferen om ze te produceren. Lucht bijvoorbeeld zou je daaronder kunnen catalogeren. Of zuivere lucht nog een vrij goed is of blijft? Naargelang de locatie ga je er een ander antwoord op krijgen. Schaarste loert dus ook voor historisch vrije goederen om de hoek. Shafir stelt dat schaarste in de geest leidt tot korte termijn denken. Arme mensen slagen erin op op korte termijn hun overlevingskansen te optimaliseren. Net zoals de overwerkte CEO er goed in slaagt om de kortetermijndoelstellingen van een bedrijf te realiseren. Die focus op de acute problemen, hypothekeert echter enige aandacht voor de langere termijn.
Schaarste in de hersenen resulteert dus in een soort tunnelvisie richting het schaarsteprobleem. Shafi gebruikt de metafoor van beperkte bandbreedte. Ondanks alle cursussen rond time management verlegt de aandacht zich naar wat vandaag zeker afgewerkt moet worden en niet op wat morgen best gedaan wordt. In een organisatie is dat een watervalsysteem van de grote baas naar de ganse organisatie: iedereen is bezig met de waan van de dag. Enkele jaren terug verrichten Amerikaanse onderzoekers experimenten. Mensen werd een probleem voorgelegd: zouden ze bij een reparatie van 150 EUR het bedrag meteen betalen, lenen, wat harder werken of de reparatie uitstellen. Het zelfde werd gevraagd voor een bedrag van 1500 EUR. Ondertussen werden ze blootgesteld aan cognitieve testen. Bij het lage bedrag werd er geen verschil gezien tussen arm en rijk. Bij het hogere bedrag scoorde de arme populatie behoorlijk slechter op de tests. De experimenten werden herhaald gedurende één jaar met Indiase suikerrietboeren. Die krijgen 60% van hun omzet op één moment in het jaar, waardoor naargelang het jaar vordert, hun armoede toeneemt. De experimenten illustreerden dat binnen een zelfde populatie het cognitief vermogen daalde naarmate de armoede toenam.
Vraag is natuurlijk: hoe zorg je dat je voldoende bandbreedte behoudt als je rekenvermogen continu ingenomen wordt door acute problemen. Shafir geeft daar niet echt eenduidige antwoorden op. Dat is dan weer de luxe van de wetenschapper die zijn bandbreedte maximaal kan gebruiken voor probleemanalyse. Clou is om een context te creëren waarin er meer bandbreedte komt voor toekomstdenken en verandering. Actief deelnemen aan netwerken is daarbij voor bedrijven zeker een nuttige strategie. Niks mis met de ad hoc borrel op een of andere receptie. Meerwaarde uit netwerken komt er echter door meer gericht samenwerkingen op te zetten, bv. ook binnen een context van open innovatie. Een nieuwe oproep om in Vlaanderen Innovatie Bedrijfsnetwerken op te zetten, bied je als bedrijf alvast de kans om je bandbreedte in de toekomst te verhogen...
De laatste jaren duikt er evenwel een ander soort van onderzoek op naar schaarste: de psychologische. Vooral de Amerikaanse professor Eldar Shaffir is daarbij één van de leidende stemmen. Uitgangsvraag: wat gebeurt er als schaarste bezit neemt van de geest? Conclusie: mensen handelen op een andere manier als ze een gevoel van gebrek hebben. In de economie is per definitie alles schaars. Ja, er bestaat zoiets als vrije goederen, waarvoor je geen productiemiddelen moet opofferen om ze te produceren. Lucht bijvoorbeeld zou je daaronder kunnen catalogeren. Of zuivere lucht nog een vrij goed is of blijft? Naargelang de locatie ga je er een ander antwoord op krijgen. Schaarste loert dus ook voor historisch vrije goederen om de hoek. Shafir stelt dat schaarste in de geest leidt tot korte termijn denken. Arme mensen slagen erin op op korte termijn hun overlevingskansen te optimaliseren. Net zoals de overwerkte CEO er goed in slaagt om de kortetermijndoelstellingen van een bedrijf te realiseren. Die focus op de acute problemen, hypothekeert echter enige aandacht voor de langere termijn.
Schaarste in de hersenen resulteert dus in een soort tunnelvisie richting het schaarsteprobleem. Shafi gebruikt de metafoor van beperkte bandbreedte. Ondanks alle cursussen rond time management verlegt de aandacht zich naar wat vandaag zeker afgewerkt moet worden en niet op wat morgen best gedaan wordt. In een organisatie is dat een watervalsysteem van de grote baas naar de ganse organisatie: iedereen is bezig met de waan van de dag. Enkele jaren terug verrichten Amerikaanse onderzoekers experimenten. Mensen werd een probleem voorgelegd: zouden ze bij een reparatie van 150 EUR het bedrag meteen betalen, lenen, wat harder werken of de reparatie uitstellen. Het zelfde werd gevraagd voor een bedrag van 1500 EUR. Ondertussen werden ze blootgesteld aan cognitieve testen. Bij het lage bedrag werd er geen verschil gezien tussen arm en rijk. Bij het hogere bedrag scoorde de arme populatie behoorlijk slechter op de tests. De experimenten werden herhaald gedurende één jaar met Indiase suikerrietboeren. Die krijgen 60% van hun omzet op één moment in het jaar, waardoor naargelang het jaar vordert, hun armoede toeneemt. De experimenten illustreerden dat binnen een zelfde populatie het cognitief vermogen daalde naarmate de armoede toenam.
Vraag is natuurlijk: hoe zorg je dat je voldoende bandbreedte behoudt als je rekenvermogen continu ingenomen wordt door acute problemen. Shafir geeft daar niet echt eenduidige antwoorden op. Dat is dan weer de luxe van de wetenschapper die zijn bandbreedte maximaal kan gebruiken voor probleemanalyse. Clou is om een context te creëren waarin er meer bandbreedte komt voor toekomstdenken en verandering. Actief deelnemen aan netwerken is daarbij voor bedrijven zeker een nuttige strategie. Niks mis met de ad hoc borrel op een of andere receptie. Meerwaarde uit netwerken komt er echter door meer gericht samenwerkingen op te zetten, bv. ook binnen een context van open innovatie. Een nieuwe oproep om in Vlaanderen Innovatie Bedrijfsnetwerken op te zetten, bied je als bedrijf alvast de kans om je bandbreedte in de toekomst te verhogen...
woensdag 18 oktober 2017
Wat het Infinite Monkey Theorema me leert over innovatie...
Er zijn drie soorten leugens: leugens, grotere leugens en
statistieken. Het is een quote die elke politicus best uit zijn mouw kan
schudden als een of andere statistische analyse zijn beleid in diskrediet
dreigt te brengen. Het woord statistiek is niet zo maar afkomstig van het
Latijnse statisticum collegium wat zo veel wil zeggen als 'les over
staatszaken'. Zeker is dat de statistiek de onzekerheid of beter gezegd de
onnauwkeurigheid van de verkregen informatie probeert in te schatten. Niet
voor elk soort informatie biedt statistiek dus een meerwaarde. Er was
bijvoorbeeld weinig statistiek nodig om te weten dat het examen statistiek van
Professor Theo Van de Water zaliger een buisvak was in de kandidaturen bij de
KULeuven.
Innoveren gebeurt meestal wel met enkele onzekere
variabelen. Is die techniek echt wel geschikt voor onze toepassing? Staat de
markt open voor een nieuwe aanpak? Zullen mijn verkopers in staat zijn om een
dienst te verkopen in plaats van een product? Volstaat ons werkkapitaal voor de beoogde marktuitbreiding? Veel
vragen en meestal slechts beperkte informatie om die vragen te beantwoorden. De vraag is dus: hoe om te gaan met die onzekerheid? Geen nood, de statistiek
brengt raad via optie-analyse. Opties, vooral bekend uit aandelenland, zijn een
recht (dus geen verplichting) om een bepaalde actie in de toekomst te
ondernemen. Waar het bij aandelen draait om een aankoop- of verkooprecht, is de
mogelijke actie in het bedrijfsleven eerder gekoppeld aan het uitvoeren,
uitstellen, annuleren, uitbreiden...van een project. Het woord business case wordt dan meestal in de mond genomen. Deze blog
ambieert geen opleiding Optieanalyse te geven, dus voor de beginselen verwijs ik u graag
door naar gespecialiseerde kanalen.
Aanleiding voor deze blog was een radiointerview waarin
iemand de stelling van de eindeloos typende apen aanhaalde, beter bekend als
'the infinite monkey theorem'. Basisstelling bij dit theorema is dat - als men
maar lang genoeg wacht - een aap die in willekeurige vorm letters typt op een
typemachine het werk van William Shakespeare kan reproduceren. Deze stelling
hebben we te danken aan de statistiek. Boeiend toch, dat vakgebied. Als we even uitgaan van een eenvoudig
toetsenbord met 30 toetsen, is de kans dat de aap de eerste letter juist typt
1/30. De kans dat hij de eerste twee letters goed typt is (1/30)(1/30)...
Reken zo door en je weet: de kans dat de aap MacBeth uit zijn losse pols schudt kan nooit nul
zijn. Tot hier de bijdrage van de statistiek. Testen met echte apen
resulteerden niet in een hoogstaand literair werk. Omdat de
steekproef niet groot genoeg was zouden fervente statistici kunnen inbrengen, maar ongetwijfeld ook omdat de apen geen
random gedrag vertoonden. Bij sommige tests werd het toetsenbord gemolesteerd.
In andere gevallen werd de aandacht van de aap getrokken door één lettertoets die vervolgens 5 bladzijden lang werd aangeslagen. In sommige middens zou dat allicht als hoogstaande kunst gecatalogeerd worden.
Van apen naar teamleden is biologisch gezien niet zo'n
grote stap. Ook teamleden vertonen geen random gedrag. Gelukkig maar.
Innovatieprojecten zijn dus ook niet te vatten in statistische modellen.
Gelukkig maar. Maar dat neemt niet weg dat hopen op innovatiesuccessen in lijn
met het Infinite Monkey Theorem al even naïef is. Het goed inschatten van
risico's en kansen maakt dus best deel uit van het innovatieproces. Dat mag
maar hoeft niet noodzakelijk met een optie-analyse. Voor kmo's verhoogt een
goed verrichte risico-analyse, bv. door een aantal assumpties te valideren, al sterk de kans op succes...
woensdag 4 oktober 2017
Wat een holbewoner me leert over innovatie...
Een van de boeken die momenteel mijn hersenen verwennen, is 'Reis naar de toekomst' van Michio Kaku. Deze 70 jarige Amerikaanse theoretisch natuurkundige heeft een belangrijk deel van zijn wetenschappelijke carrière geïnvesteerd in onderzoek naar 'de theorie van alles' of 'unificatietheorie' die de verschillende fundamentele modellen van de natuurkunde verenigt in één allesomvattend model. Zelfs Einstein is daar niet in geslaagd en het lijkt er op dat ook Kaku in het zand zal bijten. Neemt niet weg dat de mens, die in zijn vrije tijd ook futurist is, er in slaagt om complexe zaken helder voor te stellen zoals ook nieuwe inzichten in het brein. Een aanrader.Kaku gaat in dit boek in op het fenomeen dat we de adsorptiesnelheid van nieuwe technologie overschatten en vooral ook de impact van nieuwe technologie op het verdwijnen van bestaande. Voorbeelden zijn er legio. Het papierloos kantoor is perfect mogelijk, maar papierverbruik zit nog steeds in de lift. Winkelcentra zouden bankroet gaan, omdat alles on-line zou worden besteld. Kantoren zouden leeglopen omdat iedereen van thuis uit zou werken. Ik neem deze drie voorbeelden omdat ze 20 jaar terug werden geprojecteerd op de periode waarin we nu leven en ze nu weer worden aangehaald voor de periode 2025-2030. Als je dagelijks geconfronteerd wordt met nieuwe technologie, is een extrapolatie van al dat moois naar een nieuwe maatschappijbeeld een aanlokkelijke gedachte. Alleen merk ik, dat als ik bij familie en vrienden aanklop met een toekomstbeeld waarin de job van een arts binnen 15 à 20 jaar sterk veranderd is en voor een belangrijk stuk door technologie is vervangen, te horen krijg: "zo snel zal dat niet veranderen. Dat zeiden ze van de ... ook."
Kaku noemt dat het holbewonersprincipe. De moderne mens bestaat zo'n 100 000 jaar. Als je iemand uit die periode zou scheren en wassen en in een driedelig pak in de Europese Wijk zet, zal niemand het verschil merken. Onze diepere (primitieve) verlangens en persoonlijkheden zijn allicht op die 100 000 jaar niet zo erg sterk veranderd. Op het moment dat er tussen die verlangens en nieuwe technologie een conflict ontstaat, winnen de verlangens het pleit. Tastbaarheid is daar bij een belangrijke: 'zien' wint het dus altijd op 'van horen zeggen'. Een concert bijwonen is dus iets anders dan eentje via live streaming volgen op youtube ook al is dat in HD-kwaliteit. Een fysieke ontmoeting tussen mensen biedt soms meer voldoening dan een videoconferentie, ook al bespaar je daarmee uren tijd. Je kan via internet of met een oculus de Eiffeltoren vanuit alle hoeken bekijken, maar dat is niet hetzelfde als er echt opstaan. Een universitair diploma wordt door veel werkgevers nog steeds hoger ingeschat dan één dat on-line werd behaald. Het holbewonersprincipe stelt dat we liefst alles willen, maar als we echt moeten kiezen verkiezen we 'high touch' boven 'high tech'. Het invullen van de behoefte is dus veel belangrijker dan de technologie. De enige manier om de adoptiesnelheid te verhogen is dus door de technologie onzichtbaar te maken. De contradictie zit erin dat daarvoor de technologie steeds slimmer moet worden - termen als machine learning en artificiële intelligentie zijn dan nooit veraf - en dat net dat dan weer als een bedreiging wordt gezien.
Essentieel bij overleving van holbewoners was om in de gratie te vallen binnen de stam en de eigen positie te versterken. Een van de manieren om dat te realiseren was het verspreiden van informatie en niet in het minst roddels over de leiders. Dat sociale media als technologisch platform door een groep gebruikers meer en meer gebruikt worden om die primitieve behoefte in te vullen, was dus enigszins voorspelbaar...
woensdag 20 september 2017
Wat het Boek Happy@Work me leert over innovatie...
De zomervakantie leende zich wel eens tot een zonnig terras met een glas wijn en een
boek. In dit geval een boekje. 116 pagina’s in pocket format. Goed voor een
paar uur inspiratievol leesplezier. Bart De Bondt, vroeger CEO van ING België,
beschrijft de 5 pijlers die volgens hem noodzakelijk zijn om mensen binnen een
bedrijf gelukkiger te maken. Meer geluk op het werk, heeft als gevolg een
hogere betrokkenheid, meer energie en passie en dus uiteindelijk ook een hogere
productiviteit, openheid voor verandering en oog voor vernieuwing en dus innovatie. Maar laat meteen duidelijk zijn dat mensen gelukkig maken
vanuit het oogpunt om ze productiever te maken geen succesvolle aanpak
garandeert. Mensen zijn niet van gisteren, zeker niet die in jouw bedrijf.
Vraag is natuurlijk wat geluk betekent. De Bondt definieert het als een
bevrijding van verlangens. Geluk is een toestand van algehele tevredenheid doordat
je hebt wat je verlangt, inclusief het toestromen van uitdagingen. Leven in het
nu: mindfulness is nooit ver weg als het over geluk gaat. Een mindset van
genoeg en niet van te weinig. En nee, dat resulteert niet in een gebrek aan
levenslust of het ontbreken van doelen. Het lijkt te conflicteren met het
continu streven naar economische groei en innovatie, maar is dat wel zo? Minstens stof tot
discussie.
Een ding is duidelijk: mensen worden ongelukkig op het werk door
verschillend elementen, maar vaak zijn die te herleiden tot de angst om iets te
verliezen en een gebrek aan vertrouwen tussen mensen. Wantrouwen zorgt voor een
laag vernis bij mensen binnen de bedrijfscontext, waardoor ze hun ware zelf
maskeren, al dan niet door zich als de sterke figuur te etaleren. Dat masker
wordt bijgestuurd in functie van de verwachtingen van leidinggevenden om de job
veilig te stellen en eventueel hoger op de ladder te kunnen klimmen. De
hunkering naar aanzien en macht, weet je wel. Het is opvallend hoe leidinggevenden zelf beginnen
te geloven dat ze het beste weten hoe een organisatie moet evolueren. Sterk zijn wordt geleend uit de functie die
men bekleedt (men is er per slot van rekening in aangesteld) en hoe je keert of draait,
wat theater is dan nooit ver weg. De focus wordt dan om maximale winst te halen
en het risico op verlies te verminderen. Dat betekent ook dat een Mea Culpa te
vermijden is en hoe hoger de positie hoe groter de drang om de schuld bij
anderen te leggen als er iets misloopt. Per slot van rekening houden de anderen
ook een masker voor. De enige manier om dat te doorbreken is je eigen masker af
te nemen en je te laten zien zoals je bent. Als macht wordt verkregen door het deels
opgeven van je eigen ‘ik’, wordt het meestal op een bepaald moment een bitter
geschenk. De Bondt maakt een terecht onderscheid tussen natuurlijk gezag,
verworven door wie je bent, versus macht, verworven door je maatschappelijke
positie. Iets wat je kan, kan niet afgenomen worden door iemand anders. Dat is
anders met iets dat je hebt (gekregen).
Genoeg introductie: de kapstok van het boek is de ReRAMP methode, het fundament voor gelukkige mensen binnen je
bedrijf:
- Relatie of de nood van mensen om zich verbonden te voelen, in een groep met een gemeenschappelijke identiteit. Dat kan door in te grijpen op tastbare dingen (werkomgeving) en minder tastbare (cultuur). Wat dat laatste betreft deel ik De Bondt’s voorkeur voor sociocratie, i.e. gelijkwaardigheid van individuen, niet vanuit een consensus model, maar vanuit gegeven dat een besluit genomen kan worden als er geen overwegend beargumenteerd bezwaar komt vanuit mensen die er door beïnvloed worden.
- Erkenning (Recognition) of de behoefte van mensen om erkend te worden in wat ze doen. Anders gezegd: meer ja (wat mag) en minder nee (wat niet mag). Valkuil is dat erkenning door leidinggevenden mensen soms wegtrekt van hun eigen kern omdat ze willen pleasen. Mensen moeten dus presteren binnen een context van authenticiteit. Authenticiteit impliceert dat je het risico neemt op beoordeeld te worden op wie je echt bent en niet langer op wie je speelt dat je bent. Authenticiteit is leven zoals je denkt en niet die gedachten bijsturen omdat je weet dat het beter past bij je functie of de bedrijfscultuur. Erkenning geven impliceert bv. actief luisteren naar mensen, complimenten geven en beste praktijken zichtbaar maken. Wat complimenten betreft: complimenteer het proces (bv. doorzettingsvermogen, aanpak, creativiteit…), niet het resultaat en verspreid een compliment ook achter de rug van de betrokkene.
- Autonomie of het verlangen van mensen zelf te kiezen en te doen. Door autonomie stijgt de verantwoordelijkheidszin. Dat kan op verschillende niveaus: bij het bepalen van de doelen, door mensen vrijheid te geven bij het bepalen van de wijze om de doelen te bereiken of op het laagste niveau door mensen bepaalde details te laten kiezen (als doel en aanpak vastliggen).
- Mastery of de wens van mensen om ergens heel goed in te zijn. Mensen werken liefst op een niveau waarbij ze nog uitgedaagd worden en persoonlijke groei kunnen realiseren. Je moet dus zicht hebben op de wijze waarop mensen hun werk uitvoeren en hoe ze zich daarbij voelen. De Bondt stelt dat mensen eerst competent worden, dan ervaren en uiteindelijk meesterschap kunnen bereiken. Elke fase vraagt een andere begeleiding en training. Mensen moeten daarbij het gevoel hebben dat de weg die ze aangeboden krijgen, geen doel op zicht is maar een persoonlijke opportuniteit. Ze moeten ervaren dat competent zijn noodzakelijk is voor het bedrijf en de evolutie naar meesterschap nuttig voor hen.
- Purpose of de nood aan een hoger doel, een drijfveer. Mensen krijgen pas echt extra energie als ze voelen dat ze bijdragen aan een hoger doel, om een verschil te maken in de maatschappij/wereld.
Abonneren op:
Posts (Atom)














