woensdag 27 maart 2013

Waarom we allemaal idioten zijn, ook bij het innoveren...

Enerzijds: een auteur die wat roots liggen heeft in de farma en biotech, maar enigszins gedesillusioneerd uit die sector is vertrokken. Anderzijds: een filosoof die geboeid is door wiskunde en statistiek en dagelijks vaststelt dat niet iedereen het zo nauw neemt met de regels van het wiskundige spel. Tot daar m.i. de drijfveren van Ruben Mersch om een boek te schrijven om mensen te stimuleren om meer hun gezond verstand te gebruiken en minder (goedgelovig) te ‘geloven’. Ik zette alvast mijn innovatiebril op bij het lezen van het boek.
Als je dit boek leest, zal je – tenzij je in het rijtje thuis hoort van de grote Griekse denkers – vaak een blik van herkenning hebben en dus de ‘idioot’ in jezelf moeten erkennen. Diverse fenomenen liggen aan de grondslag van de wijze waarop onze ratio wordt bedot. Neem nu het bekende halo-effect. Wij zullen veel sneller een fout of tekort vergeven bij iemand die we al positieve eigenschappen toekennen. Dezelfde fout wordt dus anders ingeschat. Niet rationeel, maar dagelijkse kost in het onderwijs, in werkomgevingen, in politiek, kortom in alle maatschappelijke geledingen. De heden zo geroemde netwerk-economie teert deels op dit halo-effect.
Een belangrijke pijler bij het maken van rationele analyses is de weerlegbaarheid van een hypothese. Een hypothese waarmee je alles verklaart heeft geen waarde. ‘Het regent of het regent niet’ als hypothese maakt dat duidelijk. Ik merk de drang naar niet-weerlegbare hypotheses soms ook in gesprekken met starters of beter gezegd uitvinders. Des te concreter de vragen, des te vager de antwoorden. Gelukkig brengt daar de tijd meestal inzicht. Dat kan van creationisten bijvoorbeeld niet gezegd worden.
Een boek lezen brengt soms jeugdherinneringen terug, in casu de cursus statistiek als het over de significantietest gaat, om het onderscheid te maken tussen toeval en geen toeval. Als je iets wil onthouden van statistiek, laat het dan de significantietest zijn. Het helpt je enorm bij het relativeren van allerlei, zogenaamd statistisch onderbouwde nieuwsberichten. Maar dat geldt evenzeer voor sommige marktanalyses. Bij elk bericht of elke analyse mag je uitgaan van de nulhypothese, i.e. de verklaring is ingegeven door het toeval. Pas als de kans daarop kleiner dan 5% is, is er meer aan de hand: of de nulhypothese is fout of er is iets zeer onwaarschijnlijk gebeurd. Twee fouten worden vaak gemaakt. In het geval van Type 1 fouten is iets te wijten aan toeval, terwijl men er meer achter zoekt. Bij een Type 2 fout denkt men dat het toeval is, maar is er meer aan de hand. 
Ik merk dat in innovatietrajecten de 2 fouten voorkomen. Een typisch voorbeeld van een Type 1 fout vindt plaats in de start van de commercialisatiefase. De eerste twee contacten die men legt zijn positief en onmiddellijk denkt men een killer-innovatie te hebben. Een Type 2 fout komt meer voor in onderzoek als onderzoeksresultaten die conflicteren met de hypotheses soms onterecht als experimentele fouten worden gekwalificeerd. Een actueel onderwerp...
Ruben Mersch stelt dat we voorspelbaarder zijn dan we zelf graag denken. Om dat te staven daagt hij je uit tegen de computer steen-papier-schaar te spelen via www.nytimes.com/interactive/science/rock-paper-scissors.html Zo’n uitdaging laat ik niet liggen en het dient gezegd: het vergt heel creativiteit om je patroondenken te doorbreken en het computeralgoritme te verslaan, maar het kan.
Een interessante passage is ook die over het ‘aantal-apenblindheid’. Geef één aap een klavier en de kans dat hij Hamlet schrijft is verwaarloosbaar klein. Geef een oneindig aantal apen een klavier en de kans wordt veel groter. Als je het mij vraagt, zijn weinig managementgoeroes vertrouwd met dit gegeven. Neem enkele succesvolle bedrijven en zoek een criterium waar ze allen aan voldoen. Extrapoleer dit en een nieuwe bestseller zit in de pijplijn. Nassim Taleb noemt dat ook wel de Narratieve Denkfout.
Wie over statistiek spreekt, kan dat niet zonder voorbij te gaan aan de ‘post hoc ergo propter hoc’ fout. Als B na A komt, dan wordt B veroorzaakt door A. Een bedrijf neemt een nieuwe CEO in dienst, iets later stijgt de winst, en dus is de nieuwe CEO de oorzaak van die stijgende cijfers. Uiteraard kan je daar maar zeker van zijn als je zou kunnen vergelijken met enkele controlegroepen. Maar gezien een Raad van Bestuur in praktijk je bedrijf niet kan klonen om vergelijkend onderzoek te doen, zal de CEO zijn voordeel doen, ook al wordt hij geholpen door het toeval.
Het wordt nog erger: een correlatie tussen A en B, impliceert niet noodzakelijk een causaal verband. Dat komt onder andere door de verstorende variabelen. Een correlatie tussen grijs haar hebben en een verhoogd risico op ziek zijn is aannemelijk, maar daarom wordt je nog niet ziek van grijs haar. Dezelfde redenering mag je volgen voor het verband tussen meer middelen hebben en een hogere kans op succes bij innovatie. 
Het boek bevat nog andere redenen waarom de idioot in ons zich gemakkelijk laat vangen bij het trekken van conclusies. Dat geldt voor onderzoekers (“Een artikel waarin staat dat je jammer genoeg niets ontdekt hebt, zal niet door een tijdschrift worden aanvaard”), maar evenzeer voor managers die binnen innovatietrajecten beslissingen nemen op basis van vaak beperkte informatie. Niet het feit dat ze beslissingen nemen op basis van weinig info is een probleem; snelheid van beslissen is een belangrijke eigenschap in de snel veranderende wereld. Probleem is wel dat ze daarna soms oogkleppen opzetten om de genomen beslissing toch maar te kunnen handhaven als de enige goede. Durven twijfelen is de beste garantie om onze idioot uit te schakelen.  
Misschien was de ondertitel van dit boek ‘Waarom we allemaal idioten zijn’ nog beter geweest ‘Waarom we allemaal idioten willen zijn’. Nadenken en dingen in vraag stellen haalt mensen immers uit een comfortzone. Dit boek heeft de verdienste dat je bij het lezen bijna niet anders kan om na te denken en je comfortzone te verlaten…

woensdag 20 maart 2013

Wat Der Untergang me leert over businessmodel innovatie...

"Maar moet je niet met je tijd meegaan en naast je blog ook werken met videomateriaal?" Die zit. Aan het woord: een zaakvoerder van een machinefabrikant op een receptie ergens tussen Mol en Antwerpen pakweg 1 jaar geleden. Hoewel ik de eerste ben om mensen aan te moedigen om verandering te omarmen, omarm ik dat 'met zijn tijd meegaan' iets minder enthousiast als het technisch vernuft vergt. Wat beelden schieten is niet complex, er een goed verhaal van maken is m.i. nog steeds een creatief ambacht. Vandaar dat het beeldmateriaal in deze blog eerder van de statische soort is.

Afgelopen week zag ik evenwel kans om eindelijk Der Untergang te bekijken, een film uit 2004 over de laatste 10 dagen van Adolf Hitler.  En tot mijn verrassing werden er zinnige dingen in gezegd over Business Model innovatie.

Deze week dus geen tekst, maar beeld...

woensdag 13 maart 2013

"De collega's werken thuis" als hefboom naar sterkere innovatiecultuur...


Klassiek bij monsterfiles als gisteren, is dat de discussie over meer thuiswerken de kop opsteekt. Alsof het bestrijden van files de hoofdreden zou zijn om een systeem van thuiswerk in te voeren. Dat moet je in elk geval niet proberen wijs te maken aan Frank Van Massenhove, overheidsmanager van het jaar in 2007. Vorig jaar kwam het boek uit waarin hij en zijn partner-in-crime Tom Auwers hun relaas doen over hun aanpak om de werkomgeving van de FOD op 9 jaar tijd op te frissen. En ja, thuiswerk is een integraal onderdeel van de nieuwe manier van werken. Maar nee, het is geen doel op zich. Te vaak zie ik helaas nog in bedrijven dat de bedrijfscultuur een hinderpaal is om creativiteit en innovatie een kans te bieden. Mijn interesse was dus gewekt, zeker nu Yahoo recent beslist heeft om de klok terug te draaien...  

De werkcultuur van de FOD Sociale Zekerheid staat samengevat in de 2de alinea van het boek in 3 woorden: respect, resultaten en vertrouwen. Dat noemen ze  met de deur in huis vallen. De rest van het  boek concretiseert die kernpijlers van het nieuwe werken. Wat onmiddellijk duidelijk wordt, is dat een brede, strategische aanpak nodig is. Verrassend is dat niet, maar desalniettemin is het makkelijker gezegd dan gedaan. Bij de FOD startte men met 6 strategische veranderingsprojecten gericht op medewerkersmotivatie, klantgerichte en kwaliteitsvolle dienstverlening, een nieuwe vorm van werkomgeving (clean desk), het ter beschikking stellen van performante tools, een beter beheer van de levenscyclus van papieren en elektronische documenten en een open communicatie. Die geïntegreerde aanpak is nodig omdat ze een hefboom is naar een echte cultuurverandering.

De auteurs leggen de achilleshiel van organisatiestructuren kraakhelder bloot. Structuren moeten mensen helpen om met de realiteit om te gaan. Het loopt mis wanneer structuren een eigen leven gaan leiden en zich niet meer willen aanpassen aan de realiteit. Nicholas Taleb noemde dat al ‘Mediocristan’. De jongste crisis laat nog even het tegendeel vermoeden, maar jonge mensen kiezen meer en meer hun werkgever en niets andersom.  Het nieuwe werken is een geïntegreerde aanpak om dat te realiseren. Eigenlijk is de titel van het boek verkeerd gekozen, want daardoor lijkt die nieuwe aanpak zich te verengen tot een paar dagen per week thuiswerk. Ik herinner me zelf nog niet zo heel lang geleden discussies over ‘of we het nu 1 of 2 dagen moeten toestaan’.   Het Nieuwe Werken is echter een totaal concept met aandacht voor werkplek, leiderschapsstijl, resultaatgerichtheid, meer empowerment naar teams… Het Nieuwe werken is niet haalbaar als managers vanuit een command en control benadering leidinggeven.  Een erg herkenbare stelling in het boek is dat een prikklok twee soorten mensen gelukkig maakt: slechte werknemers en slechte bazen. Als je mensen oplegt om 8 uur aanwezig te zijn, zullen ze het werk uitvoeren in die tijdspanne. Misschien kan het wel efficiënter? Bij FOD kunnen mensen kiezen of ze prikken of niet: 16% gebruikt de prikklok nog.

Bij de FOD Sociale Zaken volgt het werk de werknemers en niet andersom. Uit onderzoek bleek dat 92% van de werknemers hun job ook elders kon doen. 92% krijgt dus ook de kans om die flexibiliteit te benutten. 69% gebruikt die kans ook. Van medewerkers wordt verwacht dat ze minstens om de 14 dagen een vergadering houden op kantoor om collega’s te ontmoeten. Vaststelling is dat die keuzevrijheid de productiviteit sterk verhoogt. Ik heb in mijn vorig leven te lang in een zelfde bureau gezeten, terwijl ik nu geen vaste bureau meer heb. Ik ben dus een ervaringsdeskundige om de twee formules te vergelijken en kan dat alleen maar bevestigen. Alleen al het feit dat mensen iedere morgen naar dezelfde bureau sloffen is bij velen een aanslag op creativiteit en productiviteit, al beseffen ze dat ondertussen zelf niet meer.

De auteurs snijden ook het Peter’s Principe aan: de beste experts zijn zeer zelden de beste managers.  Ze beknotten vooral de creativiteit en het initiatief bij hun medewerkers om met originele ideeën en oplossingen te komen.  Mensen komen bij zo’n bedrijf voor het bedrijf en gaan er weg vanwege de baas.

De werkomgeving bij FOD is ook een mooi voorbeeld van ‘geven en nemen’.  Een open inspirerende omgeving die erg huiselijk aandoet met zelfs massagezetels, maar wel open zodat niemand zich kan verstoppen. Dat ‘nemen’ is dus met een korrel zout te nemen, want zal enkel zo ervaren worden door mensen die zich willen verstoppen…

Het boek snijdt ook het belang van bedrijfswaarden aan, maar op een manier die het wel erg concreet maakt. De 5 kernwaarden zijn immers vertaald in meer dan 500 concrete gedragingen, zowel voor medewerkers als chefs als teams. Liefst 26 pagina’s in het boek worden besteed aan het oplijsten van die gedragingen. Alleen al daarvoor is dit boek het consulteren meer dan waard. 

De kern van het Nieuwe Werken is natuurlijk om resultaten te beoordelen in plaats van aanwezigheid. Dit lijkt mij alvast één van de moeilijkste stappen in kennisorganisaties. Dat is immers enkel mogelijk als leidinggevenden effectief continu duidelijke afspraken maken over de verwachtingen. Dat impliceert op zijn beurt een goede kennis over wat haalbaar is qua resultaten. Maar daarvoor zijn het natuurlijk leidinggevenden, al blijkt in de praktijk dat daar vaak het schoentje wringt. Essentieel is trouwens dat slechte resultaten of misbruik van vertrouwen ook resoluut worden bestraft.

Walk your talk geldt ook bij  het Nieuwe Werken. Status is uit den boze.  Helaas krijg je bij veel bedrijven maar toegang tot de baas via een wachtsluis, bemand door een privé-secretaresse. De baas betrekt de grootste bureau en is nochtans het minst aanwezig. Bij de FOD Sociale Zaken worden bureaus niet ingericht volgens hiërarchie, maar volgens activiteit die men wil vervullen. Niemand heeft dan ook nog een vast bureau. Ondertussen zijn er nog slechts 55 werkposten per 100 medewerkers.

Oh ja, onnodig te zeggen dat clean-desk en paperless werken de nodige ICT ondersteuning vereist. Nu, ik spreek uit ervaring, dat valt best mee. Niet de ICT is de drempel om papier achterwege te laten, maar wel je interne weerstand.

Tot slot geven de auteurs nog 10 wijsheden mee om de transitie naar het Nieuwe Werken succesvol te maken:
  • Als top van de organisatie moet je het voorbeeld geven
  • De tolerantie ten aanzien van fouten maken is een graadmeter voor de maturiteit van de organisatie
  • Sluit geen compromissen, zeker niet met jezelf en zeker niet op voorhand
  • Laat zo veel mogelijk antwoorden door je mensen invullen
  • Geef iets wat echt van waarde is, en als je dan achteraf iets terugvraagt kan men je niets weigeren
  • Laat je medewerkers zelf beslissen hoe ze hun doelen willen bereiken
  • Laat je medewerkers coach zijn van je andere medewerkers
  • Geef mensen full power
  • Ga tijdig na wat je project kan saboteren
  • Luister naar je mensen

Niet overtuigd van het nut van het Nieuwe Werken voor je eigen bedrijf? Als het lukt om in een van origine conservatieve omgeving als een overheidsdienst de omslag te maken, dan zie ik niet in waarom dat niet in menig bedrijf zou lukken. Lees vooral het ganse boek vooraleer je oordeel te vellen en breng misschien eens een bezoek aan de FOD Sociale Zekerheid om de transitie met je eigen ogen vast te stellen. Geef me een seintje: ik ga mee…

woensdag 6 maart 2013

Wat hertenjacht me leert over innovatie...

De everzwijnen zijn in het land en dat zullen we geweten hebben. Enkele weken terug werd er in Postel tot grote mobilisatie opgeroepen om op everzwijnenjacht te gaan. Een mens waant zich zo terug in de Romeinse tijd, om niet te zeggen in een of andere Gallische stam met een toverdrank. Gevraagd naar het nut van een dergelijke massale inzet van jagers en helpers, meldde de projectleider dat een dergelijke massale samenwerking nodig was om de everzwijnen hoe dan ook te kunnen opsporen en schieten. Het was te hopen dat de jagers van dienst al gehoord hadden van de 'hertenjacht' theorie die ooit door Jean-Jacques Rousseau al beschreven werd...

2 uitgehongerde jagers trekken op jacht om een hert (50 kg vlees) neer te schieten. Het vergt een maximale samenwerking tussen beiden om het hert te schieten. Falen ze, dan riskeren ze dat hun beide families omkomen van de honger.  Ze vinden een spoor en zetten zich in een hinderlaag. En dan begint het wachten: minuten, uren, dagen... Ondertussen is er ook een vette haas (10 kg vlees) gepasseerd en die lijkt de jagers wel uit te dagen door binnen schietbereik te blijven. Eén van de jagers zou gerust achter de haas kunnen gaan en deze schieten om zijn eigen familie te voeden. Maar het schot zal het hert definitief verjagen zodat zijn collega en diens familie zal omkomen van de honger. Of ze besluiten om samen achter de haas te gaan, maar dan hebben ze maar een schamele 5 kg vlees per gezin ipv 25 kg, onvoldoende om te overleven. Het 'hertenjacht dilemma' is geboren. Vertrouwen is natuurlijk de bepalende factor voor de uitkomst van dit verhaal. Bij het minste wantrouwen zullen beide jagers voor de haas gaan en dus die buit verdelen. Er is dan een behoorlijke pay-off voor beiden, maar verre van een optimaal resultaat. 

Ook strategische keuzes maken rond samenwerking is altijd wat op hertenjacht gaan. Zeker als open innovatie om de hoek komt kijken. Stel dat de overheid een aanbesteding uitschrijft om een innovatieve aanpak binnen de zorgsector te realiseren. Een groep van kleine bedrijven kan mekaar vinden om in te tekenen op die aanbesteding (het hert). Enkel door de samenwerking maken ze kans tegen grotere spelers die intekenen. Enkele van die kleine bedrijven worden echter uitgenodigd door grote spelers om als subcontractor te fungeren. Hun winstaandeel is daarbij wel kleiner (de haas) dan in het consortium van kleine bedrijven. Als er weinig vertrouwen is, zullen sommigen ingaan op de vraag van de grote spelers en zal de samenwerking mislukken. Open innovatie zonder vertrouwen is gedoemd om te mislukken. Open innovatie zonder een duidelijke keuze voor de lange termijn maakt geen schijn van kans.    

Het moet trouwens zijn dat er bij die massale jacht in Postel teveel toverdrank is geconsumeerd, want met 200 man werd er welgeteld één everzwijn uitgeschakeld. En Romeinen werden er ook al niet gevonden... 

woensdag 27 februari 2013

Hebban olla negocia innovatio hagunnan hinase hi(c) (a)nda thu uuat unbidan uue nu...

"Zeg mij eens: moet ik nog beginnen met innoveren mijnheer? En wat is dat dan wel innovatie?" Ik zit in een weliswaar door de tand des tijds niet gespaarde, maar een authentieke Vlaamse Ondernemersbureau, ergens in de Noorderkempen. De hond van de eigenaar, een basset, kijkt me met zijn grijnzende ogen aan alsof hij wil zeggen: 'leg het nu maar eens uit'. Soms wordt een mens met zijn 2 voeten op de grond gezet. Je mag dan wel dagelijks spreken met bedrijven over hun nieuwe plannen en beoogde ontwikkelingen, de kernvraag daarbij is meestal 'wat kunnen we doen om te innoveren?' of 'hoe pakken we dan aan?'. Maar deze vraag was van een andere orde, existentieel zowaar. Check!

Ik had natuurlijk een betoog kunnen opzetten over de semantische oorsprong van innovatie: het Latijnse 'innovare'  wat vernieuwen of 'nieuw maken' betekent. Om dan uiteraard de logische vraag te krijgen: 'wanneer is iets nieuw?'.  Nieuw voor het bedrijf, nieuw voor de klanten,... Zelf spreek ik liefst over creatie van nieuwe waarde in een afgelijnde context. Nogal wat innovaties, zeker bij kmo's, zijn een resultaat van het transformeren van bestaande technologische kennis, naar hun specifieke sector. Er worden op dit moment heuse programma's opgezet om bv. technologie uit de militaire of ruimtevaartsector te vertalen naar aardse toepassingen. Maar zover moet je het zelfs niet zoeken. Het amalgaam van nieuwe toepassingen met smartphone en tablet binnen diverse sectoren is een ander voorbeeld. In elke sector zijn er altijd wel bedrijven die daarin de lead nemen.

Op weg naar het bedrijf schalde echter de nieuwste single van Raymond Van Het Groenwoud uit de box: 'ik zing in de taal van mijn moeder...'. Ik laat het Latijn dus maar achterwege.  Vorig jaar was het 80 jaar geleden dat de Engelse Germanist Kenneth Sisam op de laatste bladzijde van een prekenhandschrift de zin: 'Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hi(c) (a)nda thu uuat unbidan nu' terugvond. Het is allicht niet de oudste, maar ongetwijfeld de meest bekende Oudnederlandse literaire passage. De betekenis luidt vrij vertaald: "Hebben alle vogels nesten begonnen, behalve ik en jij. Waarop wachten we nu?". De zin zou in de marge neergeschreven zijn door een West-Vlaamse steller om zijn nieuwe pen te testen.

In gesprek met deze ondernemer kreeg ik steeds meer het idee dat hij het gevoel kreeg dat hij een zonderling aan het worden was omdat hij niet bewust met innovatie bezig was: 'Hebban olla negocia innovatio hagunnan hinase hi(c) (a)nda thu uuat unbidan uue nu...' Nu is een dergelijk bewustwordingsproces natuurlijk op zich wel positief. Twijfel is per slot van rekening de waakhond van inzicht. Een brandend platform creëren om de nood aan innovatie bij het Vlaams ondernemerslandschap duidelijk te maken, is op dit moment ook de strategie bij uitstek van de overheid en diverse intermediaire organisaties.

En toch is de vraag of innovatie wel voor elk bedrijf de ideale strategie is voor continuïteit en eventuele groei. Of je moet innoveren omdat iedereen per slot van rekening zegt dat er geen toekomst is zonder innovatie. Niet dus. Sommige markten veranderen amper. Toegegeven, het zijn er minder en minder, maar ze zijn er. Mijn metser en zijn ploeg voelt niet echt een nood om iets aan hun businessmodel te veranderen. Ja, hij moet natuurlijk de nieuwe evoluties rond energiezuinig bouwen opvolgen, maar hij moet zelf geen bakens verzetten om zijn orderboek gevuld te krijgen. Die markt laat toe dat verschillende spelers met een sterk vergelijkbaar aanbod actief zijn. Of dat zo blijft is verre van zeker, maar mijn metser ligt daar momenteel niet echt wakker van. 3-D printing van een huis is ook nog niet voor morgen.

Terug naar de Noorderkempen. Terwijl de basset mijn schoenen aan het opblinken was, kwamen we overeen dat het opstarten van een innovatietraject bij het bedrijf nog niet direct aan de orde was. De ondernemer nadert stilaan zijn pensioengerechtigde leeftijd en heeft vooral nood aan het vinden van een opvolger om samen met hem/haar een visie voor het bedrijf uit te tekenen. Wedden dat na dat proces de vraag "En wat is dat dan wel innovatie voor ons?" niet meer aan de orde is?

woensdag 20 februari 2013

Herman De Coninck was een innovatiemanager...

Ik moet iets bekennen. Om een of andere reden heeft 'de man die zijn volk poëzie leerde lezen' in het verleden geen gevoelige snaren geraakt bij mij. Dat zegt voor alle duidelijkheid vooral veel over mij en niet over Herman De Coninck. Poëzie is immers één van de weinige literaire vormen die tot heden buiten mijn gezichtsveld gebleven is. Uitgezonderd uiteraard één of andere verdwaalde Haiku die er eigenlijk geen is of een flard van een rijm op gedichtendag.  Mijn ratio weet dat hij zich , om poëzie te smaken, moet openstellen voor de combinaties van klank, vorm, emotie en betekenis. Maar tussen waarnemen en intens ervaren zit bij kunst een zelfde kloof als tussen informatie en kennis in de wetenschap.

In een recent artikel over Herman De Coninck werd mijn aandacht echter getroffen door volgende fragment uit een gedicht van hem, getiteld 'De Plek':

"Je moet niet alleen, om de plek te bereiken,
thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken.
Er is niets te zien, en dat moet je zien
om alles bij het zeer oude te laten."

Veel dichter bij een perfecte omschrijving van de kern van 'klantgerichte innovatie' kan je niet zitten. Ik verdenk Steve Blank ervan dat hij zijn inspiratie voor volgende quote in de Startup Manual -'There are no facts inside your building, so get the heck outside' - bij Herman De Coninck moet gehaald hebben. Maar het zou geen poëzie zijn, moest de dichter er niet meer ambiguïteit in brengen. 'Er is niets te zien, en dat moet je zien om alles bij het oude te laten.' Rationeel geanalyseerd lijkt innovatie hier veraf te zijn. Als er niets te zien is in de markt, valt er weinig te innoveren en kan je misschien beter alles bij het oude laten. Dichters bedienen zich evenwel wel meer van symboliek. Het niet kunnen 'zien van het niets' is een mooie verklaring waarom zo weinig marktstudies echt waardevolle informatie aanbrengt. Meestal geven ze immers de info en antwoorden die de aanvrager van de studie wensen te horen. Wie echt wil leren van klanten, moet elke voorkennis en vooroordelen achterwege laten bij het toetsen van nieuwe innovaties bij klanten. Echt observeren vraagt de kunde om te observeren vanuit het 'niets'.

Verdere verdieping in wat werk van Herman De Coninck leert me trouwens dat hij een geboren innovatie-adviseur zou geweest zijn. Nog één voorbeeld/fragment:

"Luxe is het verschil tussen 
in een auto rijden zonder autoradio
en in een auto rijden met een autoradio
die niet opstaat."

De innovatie-interpretatie laat ik over aan uw dichterlijke vrijheid...





woensdag 13 februari 2013

Wat 'Ecologica' van Michaël Breemans me leert over duurzame innovatie...


Woensdag 24 oktober 2012: Opstart van Antwerp Smart Region Link, een nieuw netwerkinitiatief om bedrijven en kenniswereld sterker te laten samenwerken. Tijdens het belangrijkste onderdeel van de avond, de receptie,  had ik het genoegen om in gesprek te geraken met Mick Breemans, Voorzitter van VKW-Kempen, Voorzitter van Ecover en voorheen zelf meer dan 15 jaar algemeen directeur en CEO van datzelfde Ecover. Hopelijk is Ecover u niet onbekend. Zelf ben ik nogal een trouwe fan van het bedrijf en merk geworden: menig Ecover-product gaat frequent door of op mijn handen. Sommige ondernemers hebben een visie waar het hart van vol is en dus ook de mond van overloopt. Zo ook Mick Breemans. Nog geen 5 minuten in gesprek had hij zijn visie al in geuren en kleuren uitgelegd: “wij hebben in de beginjaren lang gedacht dat we ecologische producten verkochten die toevallig ook wasten, nu produceren en verkopen wij echter wasproducten die zo ecologisch mogelijk zijn. Heel die transitie staat mooi beschreven in een boek dat ik schreef: Ecologica. Ik stuur u morgen een exemplaar toe.”

Zondag 10 februari 2013: ik sla het laatste blad om van Ecologica.  Voor wie enige affiliatie heeft met Ecover als merk,  is het boek tout court een aanrader om wat meer achtergrond te krijgen over dit bedrijf dat toch al 30 jaar op de economische kaart staat. Het startte kleinschalig met de productie van de eerste fosfaatvrije wasmiddelen op een kleine boerderij door Frans Bogaerts en dat in tijden waarin fosfaten in wasmiddelen nog als onmisbaar werden gezien. 30 jaar later is Ecover uitgegroeid tot een bedrijf actief in diverse landen, met  in 2011 nog de overname van Method, een overname die het bedrijf ook in de VS op de kaart wil zetten.

Wat er in die 30 jaar gebeurd is, lijkt me een mooi  staaltje van het koppig vasthouden aan een visie ook al garandeert dat niet bepaald de weg van de minste weerstand. Aangezien het ganse duurzaamheidsdenken zelfs nu nog maar in de kinderschoenen staat, kunnen veel ondernemers alvast hun voordeel doen met het lezen van dit boek.  Maar het boek maakt vooral ook gewoon duidelijk met welke problemen een (duurzaam) bedrijf geconfronteerd wordt:
  • Het verzoenen van de noden van verschillende marktsegmenten is een opdracht. Het verschil in verwachtingen tussen de ecologische diehards (‘donkergroenen’) en de ‘lichtgroene’ consumenten die later aan boord kwamen bijvoorbeeld.  Zonder de eerste groep had Ecover zijn beginjaren niet overleefd. De tweede groeiende groep is echter noodzakelijk voor verdere economische groei. Terwijl de eerste groep elke milieu-impact verwerpt, vertrekt de tweede groep van het wasresultaat, wil daarop niet inboeten, maar wil dat wasresultaat bereiken met een minimale milieu-impact. Met een zelfde merk die twee doelgroepen bereiken, is best een ambitieuze uitdaging. Het boek maakt ook duidelijk dat Ecover daar in het verleden problemen mee gehad heeft.
  • De sprong van kleinschalige productie naar massaproductie is een kritische stap. Duurzaam produceren is soms net iets gemakkelijker op een kleine, ambachtelijke schaal. Uitdaging is om dus bij opschaling dezelfde duurzaamheidscriteria te blijven hanteren. Ecover heeft dit bv. gedaan door bewust meer te investeren in haar fabrieken in Malle en Boulogne-sur-Mer.
  • Wie zijn duurzame kop boven het maaiveld steekt, komt soms in de vuurlinie. Ecover gebruikt geen diertesten, uitgezonderd testen op watervlooien. Dat werd haar op een gegeven moment toch zwaar aangerekend door The Vegean Society, een veganistische organisatie. Hoewel het mag, gebruikt Ecover sinds toen niet meer het logo ‘niet getest op dieren’.  De beste leerlingen in de klas worden natuurlijk extra in het oog gehouden. Het doet wat denken aan de opmerkingen die vegetariërs krijgen als ze toch bepaalde dierlijke producten als eieren consumeren.
  • Een sterke visie is ook een leidraad bij innovatieprocessen. Wat doe je bv. met enzymen afkomstig van genetisch gemanipuleerde micro-organismen.  In het geval van Ecover: lang de kat uit de boom kijken om meer zekerheid te krijgen dat de negatieve milieu-impact minimaal is. Uiteindelijk zette het bedrijf toch de stap omdat de productie van de originele enzymen was stopgezet. De stap naar gemodificeerde enzymen (zogenaamde designer-enzymen)  maakt het bedrijf dan weer bewust niet. 

Als één ding wel duidelijk wordt uit het boek, dan is het hoe belangrijk communicatie is. Veel aandacht om de bedrijfsvisie te communiceren naar alle stakeholders (medewerkers, bestuurders, klanten, leveranciers, politici, pers,…) is een must voor bedrijven die opteren voor een transitie naar meer duurzaam ondernemerschap. Consumenten beginnen gelukkig stilaan wel een verschil te zien tussen bedrijven die duurzaamheid echt omarmen en bedrijven waarbij duurzaamheid vakkundig wordt ingezet als ‘green window dressing’.  

“Hopelijk is de inhoud nog steeds relevant. Veel duurzaam leesgenot” was de persoonlijke boodschap van Mick Breemans in mijn versie van Ecologica. Laat één ding duidelijk zijn: het boek (uit 2009) is meer dan ooit relevant. Duurzaam ondernemen staat nog maar in haar kinderschoenen.   Innovatie is een belangrijke katalysator om de sector tot volwassenheid te laten groeien. Gelukkig hebben we in Vlaanderen al een jongvolwassene als Ecover …

woensdag 6 februari 2013

Wat Playmobil mij leert over innovatie...

Kent u Hans Beck? Allicht niet. Kent u Playmobil? Allicht wel. Het is productontwikkelaars zelden gegund om de status van bekende wereldburger te bereiken. Nochtans zouden vele merken zonder die creatieve geesten al even onbekend gebleven zijn. Jonathan Ive is, uitgezonderd voor echte Apple adepten, ook geen naam die veel over de tongen gaat. Eigenlijk had  Louis de Bourienne, die gedurende zijn leven secretaris van Napoleon was, het al door. Toen Napoleon tegen hem zei: 'Bourienne, we zullen samen de geschiedenis ingaan' zei Bourienne: 'Majesteit, kunt u mij vertellen wie de secretaris van Alexander de Grote was?". Case closed.

Maar goed, Hans Beck dus. Deze Duitse meubelmaker was ook gepassioneerd door het ontwerpen van modelvliegtuigen. Toen hij einde jaren '60 met zijn ontwerpen naar Geobra Brandstätter trok, een Duitse speelgoedfabrikant, bleek die niet echt geïnteresseerd. Hij kreeg er wel de boodschap dat  ze op zoek waren naar speelgoedfiguurtjes voor kinderen.  3 jaar deed Beck erover om de figuren te ontwikkelen die aan de basis liggen van Playmobil. Die lange periode doet vermoeden dat hij een designers-block had: zo moeilijk kan het toch niet geweest zijn om de vrij simpele Playmobil figuren te ontwikkelen?  Het moet zijn dat Steve Jobs Hans Beck kende toen hij zei:"Simpler can be harder than complex: you have to work hard to get your thinking clean to make it simple."

Beck's manier van werken is een prachtig voorbeeld van user-centric design voordat iemand die term ook maar in de mond nam. Managementtheorieën: ze verkondigen zelden iets nieuw. Gedurende die 3 jaar verrichte hij grondig onderzoek naar zijn doelgroep: kinderen. Het leerde hem dat zijn figuren aan een aantal criteria moesten voldoen: flexibel om te kunnen bewegen (in die tijd waren de tinnen soldaatjes nog de speelgoednorm), maar ook weer niet te complex, passend in de kinderhand en met gezichten gebaseerd op kindertekeningen. Niet spieken op internet: wat valt er op aan een Playmobil gezicht? Inderdaad: een groot hoofd, een grote mond en geen neus. Mooi staaltje van 'get your thinking clean' lijkt me. Beck was ook al vertrouwd met het belang van prototyping en stak kinderen zijn figuren in de hand en observeerde ze verder. Hij merkte dat ze onmiddellijk verhaallijnen ontwikkelden en zag dat het goed was...

Daar dachten ze binnen de muren van Geobra Brandstätter in het begin nog anders over. Ze waren daar als speelgoedfabrikant niet bepaald gewend om te denken als kinderen. Soms vraagt innovatie ook een externe prikkel en die bood zich begin jaren '70 aan met de oliecrisis. Het bedrijf moest overschakelen naar producten met minder plastic en Beck's figuren waren daartoe ideaal. Of hoe kostenbesparing toch ook hier weer de drijver was voor innovatie.  De eerste collecties Playmobil  werden ontwikkeld en de marketingmachine in gang gezet. De rest is geschiedenis...

Enkele weken terug zat ik samen met een bedrijf dat een nieuw concept in de markt wil zetten voor retailers. Nu, de doelgroep retail bestaat uiteraard niet. Of beter gezegd: erg homogeen kan je die doelgroep niet noemen. Een innovatie baseren op een gesprek met 2  winkeluitbaters lijkt me geen verstandige zet.  We hebben binnen 3 maanden terug afgesproken (3 jaar leek me wat lang), een periode die de starter zal gebruiken om diverse winkels te bezoeken om te observeren wat zijn doelgroep echt verwacht. Ik ben benieuwd.

En hoe observeert u uw doelgroep?




woensdag 30 januari 2013

De Sinner Cirkel voor innovatie...

Momenteel lees ik het boek Ecologica van Michael Breemans van Ecover. Meer daarover in één van de volgende weken. Als je spreekt over Ecover, spreek je uiteraard ook over (ecologisch) wassen. Via dit boek kwam ik alvast in contact met  de Cirkel van Sinner. Dr. Herbert Sinner was een Duitse chemicus die, binnen het bedrijf Henkel, nogal wat van zijn leven toewijdde aan het op punt stellen van wasproducten die, hoe kan het anders, nog witter dan wit wasten. Dr Sinner moet zich op een bepaald moment afgevraagd hebben hoe hij het complexe wasproces bevattelijk kon voorstellen aan collega's en de buitenwereld. Wie weet bracht de vorm van de wastrommel hem tot het inzicht dat een cirkel de oplossing was.

De Sinner Cirkel geeft de 4 belangrijkste impactfactoren op het wasproces weer: Temperatuur, Actie, Chemie en Tijd. Je kan met die factoren spelen om een goed wasresultaat te krijgen. Verhoog je de tijd, dan kan je bv. chemie en actie allicht verminderen. Die cirkel wordt ondertussen gebruikt in veel andere reinigingsprocédés dan de wasmachine. Als je de afwasmachine snel je servies wil laten blinken, zal je dat meer energie kosten. Een industriële afwasmachine verbruikt veelal minder chemicaliën omdat de mechanische actie sterker is. De 4 impactparameters zijn echter allen op één of andere manier nodig. Hoeveel chemie je ook gebruikt, het proper krijgen van de was zal een zekere temperatuur vragen, de nodige mechanische actie en hoe dan ook wat tijd. Voor elke parameter is er ook een punt waarboven haar impact marginaal sterk terugvalt.

Innoveren is uiteraard net iets meer dan het bedrijfsservies opblinken. Maar toch biedt die Sinner Cirkel wel wat inspiratie om een innovatieproces voor te stellen. Stel dat je een nieuw product/dienst/concept/business model wil vermarkten. Wat zegt de Sinner Cirkel dan?

1) Een eerste parameter is temperatuur. Je hebt in eerste instantie nood aan creativiteit en goede ideeën afgestemd op de marktnoden. De temperatuur loopt op als er een sterke collectieve overtuiging is dat het markt- of maatschappelijk potentieel van een beoogde innovatie groot is. Een goede 'thermometer' helpt daarbij natuurlijk.

2) Een tweede invloedsparameter is actie. Ideeën moeten uitgewerkt worden. Een goede doordachte aanpak (planning), met de nodige aandacht voor interacties met de markt, versnelt innovatieprocessen.

3) Een derde invloedsparameter is chemie. De chemie tussen teamleden tijdens de uitvoering is determinerend voor het resultaat. Teamleden scharen zich best achter een uniforme visie en zijn best complementair. Chemie in teams heeft een intermenselijke component, maar kan uiteraard gesmeerd worden door nieuwe (digitale) technologie.  Volharding is hier ook aan de orde: 'when the going gets tough, the tough get going' zong Billy Ocean al.

4) Een vierde invloedsparameter is tijd. De tijd en de middelen die je kan investeren in een innovatietraject hebben nogal wat impact op het resultaat.

Elk bedrijf kan haar ideale mix zoeken om haar innovatie-inspanningen succesvol te maken. Grote bedrijven zetten veel in op de parameter tijd door veel medewerkers vrij te maken voor grote R&D projecten. Dat gebeurt vaak ook op basis van een sterke planning. Kleine bedrijven en zeker starters moeten het eerder hebben van een hoge 'temperatuur' met veel aandacht voor een continue aftoetsing van hun creatieve ideeën met de markt. De chemie in startende bedrijven is vaak groter, deels ook doordat hun absorptiecapaciteit naar nieuwe digitale technologie gemiddeld hoger lijkt.  In beide gevallen zijn er legio voorbeelden van succesvolle innovaties. Wel is duidelijk dat het accent bij succesvolle innovaties meer en meer verschuift naar meer aandacht voor 'temperatuur' en 'chemie' versus 'tijd' en 'actie'...

Tussen theorie en realiteit zitten soms wat weerhaken. De Sinner cirkel is niet onfeilbaar en houdt geen rekening met parameters die in de jaren '60 minder aan de orde waren. Milieuimpact om er maar één te noemen: de cirkel spreekt dan ook niet over de hoeveelheid water. Elke metafoor die een complexe realiteit vereenvoudigd probeert voor te stellen, heeft zo zijn beperkingen. De innovatieversie van de Sinner cirkel dus ook.  U ziet er ongetwijfeld enkele...

woensdag 23 januari 2013

Wat het Finse belastingsysteem ons leert over innovatie...

Twee weken terug was ik te gast bij een behoorlijk (15 medewerkers) verzekeringskantoor. Doel was om via een workshop van een halve dag de commerciële medewerkers op het spoor van innovatie te zetten. Diensteninnovatie weliswaar, want zelf nieuwe polissen op de markt brengen was niet direct aan de orde. Hoewel die drempel nu ook weer niet moet overschat worden. Als zij het niet doen, gaan anderen het misschien in hun plaats doen. Zo'n lokaal kantoor kan gerust door een eigen polis- beleid inspelen op een groeiend verlangen naar meer transparantie en vertrouwen.

Maar goed: de opzet van de workshop was dus diensteninnovatie. Meerbepaald een zoektocht naar mogelijkheden om de 'ervaring' van klanten in contacten  met het verzekeringskantoor tot ongekende hoogten te brengen. Een paar leuke ideeën waren het resultaat. De toekomst zal uitwijzen of ze ook effectief gerealiseerd geraken. Een verhaal van 'innovatie is 5% inspiratie en 95% transpiratie'... Een idee dat alvast niet spontaan uit de workshop kwam is om de klant meer controle te geven. Als ik een verzekeringspolis lees, heb ik immers niet bepaald het gevoel dat ik hoe dan ook enige controle heb over de samenwerking met de verzekeraar.  Een voorbeeldje hoe het anders kan is het Duitse Friendsurance dat mensen aanmoedigt om met vrienden en familie collectief een polis af te sluiten. Kleine schadegevallen worden door de bijdragen van de vrienden en familie vergoed. Bij grote schadegevallen wordt een externe verzekeraar ingeschakeld. De kosten voor de verzekering dalen daardoor behoorlijk. Uit de praktijk blijkt dat misbruiken daardoor ook afnemen. De klant krijgt meer controle, maar daardoor ook meer verantwoordelijkheid. De zin om te 'frauderen' neemt af.

Ik begreep enige tijd terug dat de Finse belastingbetaler in hun belastingbrief niet alleen hun inkomsten moeten weergeven, maar ook gevraagd worden om aan te duiden hoe zij hun belastinggeld liefst besteed zien. Een mooi staaltje van controle geven. Ik heb zo'n vermoeden dat uw aversie tegen het betalen van 10 000 euro belastingen kan afnemen als u wist dat die 10 000 euro pakweg bijdraagt tot de bouw van een nieuw ziekenhuis. Misschien wordt veel belastingen betalen dan wel hip?

Als ik dit soort ideeën rond het weggeven van controle bij bedrijven aanbreng, is er in 9 van de 10 gevallen iemand die aangeeft dat ze juist alle moeite van de wereld doen om controle te behouden. Klanten krijgen immers alsmaar meer macht en "dat is een probleem".  Dezelfde weerstand komt tot leven als je vraagt of men ooit al aan bestaande klanten vroeg waarom ze hoe dan ook klant blijven. 'Diegene waarbij de liefde het kleinst is, controleert de relatie' is blijkbaar het leidende adagium bij het onderhouden van klantenrelaties. Als je die wijsheid omdraait, zorg je er dus best voor niet te veel liefde aan klanten te geven, om de controle te behouden...Ik hou liever van de wijsheid gefraseerd door Thomas Jefferson: "Taste cannot be controled by law."

Oh ja, u vraagt zich misschien af welke ideeën dan wel uit de workshop resulteerden? Ik ga ze u omwille van evidente redenen onthouden. Al zit één van de ideeën erg dicht in de buurt van dit. En dat brengt ons weer in Finland...




woensdag 16 januari 2013

Van Gek op Gaten van Jos Burgers naar Ernesto Sirolli...


Dit boekje was bij het snuisteren in een plaatselijke bibliotheek al een paar keer door mijn handen gegaan. De cover deed me echter iets te veel aan ‘Who moved my cheese’ van Spencer Johnson denken. Die déjà-vu gaf blijkbaar een gevoel van déjà-lu.  Maar met zo’n 140 kleine pagina’s is het een luchtig boek dat zich ideaal leent om op een 2 uur tijd uit te lezen, als je je digitale assistenten uitzet tenminste. En ik heb het mij niet beklaagd…

Burgers slaagt erin om op een zeer bevattelijke manier, rijk gespekt met voorbeelden, aan te geven waar het echt om draait bij het omvormen van klanten naar echte fans. De titel is zo’n voorbeeld. Vraag aan een leverancier van boren naar wat zijn klanten op zoek zijn en hij antwoordt meestal ‘naar boren’.  Vraag hem waar zijn klanten gelukkig van worden en hij antwoordt allicht ‘goede boren’. Terwijl zijn klanten natuurlijk vooral gelukkig worden van gemakkelijk te maken en nauwkeurig uitgevoerde gaten.  Of misschien willen ze gewoon een schilderij ophangen.

Gaten hebben veelal te maken met het vermijden van pijn of de zoektocht naar plezier. Dat sluit mooi aan bij de wijze waarop Alexander Osterwalder in zijn business model canvas de unieke klantenwaarde benadert.  Eens die pijn bekend is, is het zaak om die effectiever en/of efficiënter te verzachten om je te onderscheiden van concurrenten. Beter kan betekenen sneller, goedkoper, stipter, flexibeler, meer garantie, … Er kan er echter maar één de goedkoopste zijn, dus veelal kan je er best voor zorgen dat je op een ander vlak het verschil maakt.  Zoals Porter al zei: ‘those who stuck in the middle’ zijn vaak de klos. Ze leveren gemiddelde kwaliteit aan gemiddelde klanten, maar helaas bestaan de gemiddelde klanten niet.

Burgers omschrijft de 4 fasen die een bedrijf kan doorlopen om een echte unieke klantenwaarde te genereren: betere boren maken, andere boren maken, diensten aanbieden naast de boren en tot slot medewerkers vormen die de klant echt centraal stellen. Een boek over klantgerichtheid zonder Zappos te vermelden, lijkt momenteel niet meer mogelijk. Het is dan ook een wonderlijk bedrijf. Of wat te denken van volgende getuigenis van een klant: een klant bestelt 7 paar schoenen voor haar moeder, merkt dan dat 5 paar niet passen, geeft aan Zappos mee dat ze deze schoenen zal terugsturen, krijgt na enkele dagen een mail van Zappos om te melden dat de schoenen nog niet toegekomen zijn, geeft dan aan dat haar moeder ondertussen is gestorven en haar hoofd niet staat naar het terugsturen van de schoenen, krijgt dan na enkele dagen een koerier van UPS aan huis die op kosten van Zappos de schoenen komt terughalen en haar ook nog een boeket bloemen met condoleance kaartje aflevert. Een fan voor het leven extra en die verkondigt dat aan heel de wereld. In veel organisaties merk je trouwens dat hoe hoger je in de pikorde staat, hoe minder je in direct contact komt met de klant. Bizar niet? De grootste brokken met klanten worden vaak gemaakt door mensen die meestal niet de bevoegdheden krijgen om zelf in te spelen op situaties die zich met klanten voordoen.

Vraag is natuurlijk hoe je de gaten van je klant vindt? Kwestie van niet te snel te antwoorden op directe vragen naar boren, maar door te vragen naar de vraag achter de vraag. Het is een open deur intrappen, maar doe zelf de test als je ergens iets gaat kopen: weinig verkopers beheersen de techniek omdat ze te snel een deal willen afkloppen.  Het is niet de bedoeling om te leveren wat de klant vraagt, maar te leveren wat hij echt nodig is. Of zoals Ernesto Sirolli in zijn schitterende (!) Ted Talk zegt: "Want to help someone? Shut up and listen!"

Nu merk ik zelf in mijn contacten met bedrijven dat ze ergens gehoord moeten hebben dat ze geen producten of diensten aanbieden, maar wel oplossingen. En dus bevatten de meeste home pages wel ergens het woord 'oplossing ' of 'solution'.  Vraag is natuurlijk oplossing voor wat? Ernesto Sirolli vertelt een anecdote over één van zijn eerste ontwikkelingsprojecten waarbij zijn team in Zambia mensen probeert op te leiden en motiveren om aan landbouw te doen nabij de Zambezi Rivier. Zijn team was versteld dat de locale populatie niet zelf meer initiatief nam om de vruchtbare grond te bewerken. Tot de oogst klaar was en een ganse populatie nijlpaarden uit de rivier kwam en de oogst 'consumeerde'. Ze boden een oplossing, maar voor het verkeerde probleem... Oplossingen zijn mainframe geworden. Je kan daar dus niet alleen meer het verschil mee maken.  Het moet duidelijk zijn in welk opzicht je oplossing uniek is, bv. omdat de service ploeg gegarandeerd binnen de 4 uur paraat is, waarmee je tegemoet komt aan het probleem dat elk uur stilstand onbetaalbaar is voor de klant.

De naam Osterwalder viel al eerder. Niet dat Jos Borgers zelf refereert naar business model innovatie. Het valt me gewoon op dat nogal wat zijn tips en voorbeelden mooi aansluiten bij één van de canvasvelden. Het komt eigenlijk altijd op hetzelfde neer: je kan innoveren op verschillende manieren, maar essentieel is wel dat je effectief in minstens één van de business model pijlers een echt verschil maakt.

En wat zijn de belangrijkste gaten van uw klanten...?

woensdag 19 december 2012

Prospect theory als katalysator bij innovatie...

Af en toe blijft mijn oog wel eens hangen op een of andere TEDTalk. De instapdrempel om zo'n filmpje te bekijken is al bij al vrij hoog. 18 minuten lijkt een eeuwigheid in tijden waarin je hersenen wennen aan het snel scannen van allerhande tweets, blogs en dito artikels. Ik ben alvast benieuwd in hoeverre mijn neuronensysteem straks gaat reageren op The Hobbit, een film van meer dan 2,5 uur. Maar sommige TEDTalks slagen erin om mij toch over die uiteraard belachelijke aandachtsdrempel te tillen. Omdat de korte beschrijving me nieuwsgierig maakt of omdat ik blind vertrouwen heb in de spreker van dienst. Dit filmpje bleef hangen omwille van de tweede reden. Spreker van dienst is immers Daniel Kahneman. Een psycholoog die de Nobelprijs economie heeft gewonnen, moet wel iets interessant te vertellen hebben.

Wat research leert dat die Daniel Kahneman in 1979 ook de grondslag legde voor de Prospect Theory. Nu is het doelgericht zoeken van goede prospecten iets waarover ik al langer het hoofd breek. Maar de Prospect Theory zal me daar niet bepaald een antwoord op geven. De theorie beschrijft hoe mensen beslissingen nemen als ze kunnen kiezen tussen opties die risicovol zijn. Dergelijke beslissingen worden sterk beïnvloed door het referentiepunt dat ze innemen. Iemand die het gevoel heeft dat zij in een comfortabele situatie zit, gaat eerder risico-avers gedrag vertonen. Als het gevoel is dat men zich in een weinig beklagenswaardige positie bevindt, vertoont een individu eerder risicovol gedrag. Een van de afgeleide theorieën van Kahneman is dat mensen kleine kansen veel te hoog inschatten. Niets menselijk is me vreemd. Een tijdje terug boekte ik nog een weekend en kwam weer die vervelende vraag of ik een annulatieverzekering wilde nemen. Een mens begint dan rationeel af te wegen. De kans dat er iets gebeurt dat het weekend hypothekeert is immers klein en moest dat gebeuren is het verlies ook niet vergelijkbaar met een reis van 2 weken naar de Malediven. Maar anderzijds, het is wel in een winterperiode waarin de kans op ziekte hoger is...je herkent dat soort afwegingen misschien wel. De kans dat het weekend in het water zal vallen, lijkt met de minuut te stijgen. Uiteindelijk beslissen mensen vaak toch om de verzekering te nemen omdat ze de kleine kans dat er iets misgaat overschatten. Jawel, de verzekeringssector doet haar voordeel met de Prospect Theory.

Die Prospect Theory is ook een factor bij innovatie. In tijden dat de economie goed draait, gaan kmo's zelfs bij kleine innovaties met weinig risico twijfelen om de beslissende stap te zetten omdat ze de kans op falen, maar ook de kosten vaak overschatten. Hun referentiepunt is immers een goed draaiend bedrijf in een aantrekkende markt.  In tijden van crisis merk je net het omgekeerde. Mensen onderschatten veelal de vereiste uitvoeringstermijnen, de benodigde budgetten en eventuele andere risico's. Als je die theorie doortrekt, lijken overheidssubsidies trouwens vooral effectief te zijn in tijden van economische groei. Ze kunnen dan bedrijven het extra duwtje geven om toch te kiezen voor innovatie. In tijden van crisis zet het negatieve economische referentiepunt bedrijven op zich al meer aan tot innovatie. Uiteraard is er in crisistijd nood aan financiële ondersteuning. Die is echter minder gericht op het stimuleren, maar vooral op het ondersteunen.

Wat de TEDTalk van Kahneman betreft? Ik heb het mij niet beklaagd om er 20 minuten van mijn tijd aan te spenderen.  Om de inhoud van zijn betoog te achterhalen, zal je je eigen aandachtsboog op de proef moeten stellen...

woensdag 5 december 2012

Bias als valkuil bij innovatie...

Misschien is het u ook niet ontgaan dat Nederland de afgelopen week in de ban was van Diederik Stapel. Deze Hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg werd onderwerp van een strafrechterlijk onderzoek door het gebruiken van fictieve onderzoeksresultaten. Uiteraard is zo'n hoogleraren korps ook maar een doorsnee van de maatschappij, al kan je ze natuurlijk moeilijk beschouwen als een representatieve steekproef voor die maatschappij. Een statisticus zou zeggen dat de statistische steekproef 'biased' of onzuiver is. En er bestaan nogal wat onzuiverheden in de statistiek.

In wetenschappelijk onderzoek is allicht de 'funding bias' de meest voorkomende. Onderzoekers kunnen geneigd zijn om bij het interpreteren van de resultaten van een onderzoek, de belangen van de sponsor van dat onderzoek te dienen. Je kan je wel afvragen of dat in het geval van Diederik Stapel aan de orde was. Of het moet zijn dat zijn onderzoek 'waarom zijn katholieken creatiever dan protestanten?' door Benedictus zelf werd gesponsord. Ik stel me dan meteen zo'n brainstorm voor in de Vaticaanse catacomben waarbij ideeën worden gegenereerd om nieuwe doelgroepen aan te trekken. "Misschien moeten we de creatieve sector aan boord trekken?" "Goed idee, even een studie bestellen die aantoont dat we een creatieve club zijn."

Zo'n 'funding bias' is ook niet bepaald zonder risico bij innovatieprojecten binnen bedrijven. Hoewel sponsor en uitvoerder daar vaak dezelfde entiteit zijn, worden resultaten die de eigen uitgestippelde roadmap of strategie tegenspreken, soms met de mantel der vergetelheid bedekt. Dat resulteert vaak ook in een 'analytische bias' waarbij testresultaten met een prototype die afwijken van de verwachtingen worden toegekend aan meetfouten of een verkeerde testuitvoering.

En die 'onzuiverheden' spelen bedrijven niet alleen parten bij technische ontwikkelingen. Neem nu marktonderzoek. 'Selection bias'  is nooit ver weg. Vraag aan sommige starters of ze al contact hebben gehad met mogelijke klanten, dan blijkt dat alle reacties positief waren. Laat ons afspreken dat in dergelijk geval allicht sprake is van een slecht gekozen populatie. Zo'n 'selection bias' is trouwens ook vaak bij innovatieprojecten in grotere bedrijven een kanjer van een valkuil om het stopzetten van een project of een exit uit een business uit te stellen.  Over vormen van confabulatie die daarbij spelen hadden we hier al eerder.

In nogal wat businessmodellen is het gebruiken van data, de kern van het model aan het worden. Ook al bent u geen data-specialist, allicht hebt u ergens de term Big Data al eens horen vliegen. Als de data zelf voorwerp worden van het verdienmodel wordt het pas echt tricky. De Engelsen hebben daar een mooie term voor: de 'data-snooping bias'. Kort gezegd  komt het er  op neer dat door een verkeerd gebruik van data mining technieken misleidende relaties in datasets kunnen blootgelegd worden. Klassiek voorbeeld is dat als je van 2 personen die op dezelfde dag jarig zijn maar voldoende andere data hebt, je allicht nog gelijkenissen zal vinden. De geboortedatum zou dan gekoppeld kunnen worden aan die andere gelijkenissen. De conclusie dan al snel dat wie geboren is op 3 maart, meer kans heeft om volhardend te zijn. Astrologen zouden er zowaar hun voordeel mee kunnen doen.

Nog even terug naar Diederik Stapel. Nieuwe ontwikkelingen in data mining maken het mogelijk om onderzoeksresultaten sneller te onderzoeken op inconsistenties. Of hoe innovatie uiteindelijk toch weer bijdraagt tot een ethischer wereld...








woensdag 28 november 2012

Tragedy of the common innovation...

Afgelopen maandag en dinsdag werd Brussel weer agrarische zone door een actie van een 1000-tal landbouwers. Zo'n actie brengt toch altijd wat platteland in de stad. Op weg naar Turnhout tussen pakweg Dessel en Retie weet je dat je bij het inschatten van je reistijd moet rekening houden met een mogelijke vertraging door een hooikar. Op weg naar de hoofdstad verwacht je je aan zowat alles dat vertraging kan geven, behalve een hooikar. Op tijd en stond verruilen boer en tractor evenwel hun heiland om af te zakken naar het Europese weiland in Brussel. Op zo'n moment moet ik altijd denken aan een economisch begrip dat in een stilaan ver verleden in mijn toen nog elastische hersenen werd gepompt: de Tragedy of the Commons of vrijvertaald de Tragedie van de Meent. Ook toen al waren er gelukkig proffen die wisten dat storytelling de hefboom is naar kennis en vooral het onthouden van economische begrippen.

Stel u een weide voor, met daarop melkkoeien van verschillende boeren. Elke boer wil uiteraard zoveel mogelijk verdienen aan zijn melkveestapel. Als een boer een koe toevoegt op de weide heeft dat twee economische effecten:
  • een positief effect: de boer heeft één koe extra en dus is zijn totale opbrengst aan melk groter
  • een negatief effect: de koe eet ook gras, waardoor de beschikbare hoeveelheid gras per koe op de weide afneemt wat dan weer resulteert in een gemiddeld lagere melkproductie per koe, toch zeker op het moment dat er overbegrazing optreedt.

Als u wiskundige bent, zal u zeggen: geen probleem, laat de boeren gewoon koeien toevoegen totdat de opbrengst van een extra koe niet méér oplevert dan het de overige boeren kost. Op dat moment is immers het optimaal aantal koeien bereikt. Als u gediplomeerd socioloog bent of gewoon wat mensenkennis hebt, weet u dat de uitkomst van dit dagelijks voorkomend probleem (vervang de koeien door eender wat) net iets anders uitdraait. De boeren zullen de veestapel blijven uitbreiden, ver over het optimale punt. Waarom? De redenering: als mijn collega een koe bijzet, ga ik minder verdienen omdat ik mee opdraai voor de kosten door de lagere productie van mijn veestapel.

De Tragedy of the Commons is een dagelijkse realiteit in diverse sectoren. Vrij vertaald komt het erop neer dat de schrik om individueel te verliezen veel groter is dan de wil om gezamenlijk te winnen. Net dat is veelal de reden waarom veel bedrijven nog zo terughoudend zijn om resoluut te kiezen voor samenwerking met andere bedrijven bij het innoveren. Samenwerking lijkt nog te vaak synoniem te zijn met een gevoel van verlies (bv. van potentiële omzet). De weide moet immers optimaal verdeeld worden tussen de partners. Je moet kiezen welke koeien je er wel opzet, maar vooral ook welke niet om het rendement van de samenwerking te optimaliseren. Of de weide nu de Vlaamse markt, de Europese markt of de wereldmarkt is en in welke sector dan ook, ergens ligt er voor je bedrijf een optimaal punt in elke weide. Open Innovatie helpt je alvast om dat punt te bereiken. Tenzij je in staat bent om een nieuwe weide aan te boren door grensverleggende innovaties te realiseren, is Open Innovatie dus een puike strategie tot groei.

Op elk moment kan je de open-innovatie-koe bij de horens pakken...

woensdag 21 november 2012

Een proeftuin voor creatieve begrotingsmaatregelen...

Hebt u de afgelopen weken ook met enige verwondering het politieke schouwspel gadegeslagen? Verwondering is misschien niet het goede woord, want de voorspelbaarheid van het script is er te hoog voor. Een mens vraagt zich af of er nog een zweem van creativiteit hangt in de coulissen van de gebouwen in de Wetstraat. Misschien zou een creativiteitsessie meer zoden aan de dijk kunnen brengen dan een zoveelste rondje opsommen van de gekende voorstellen vanuit de loopgraven. Zoals reeds eerder aangegeven in deze blog, toont de econometrie aan dat politieke beslissingen nooit optimaal zijn. Wat vooral opvalt is dat zo'n begrotingsronde gezien wordt door een wel erg oude bril van ideologische tegenstellingen. Kortom: het business model van de politieke onderhandelingen is de afgelopen decennia blijkbaar niet veranderd.

Laat ons even 80 jaar terug gaan. De crisis hakte er einde jaren 20 ook hard in, met ondermeer de crash van de Amerikaanse aandelenbeurs op zwarte donderdag in 1929 . Tussen 1929 en 1933 steeg de Amerikaanse werkloosheid tot 25%, "iets" hoger dan de 7,8% van nu. Europa was er niet veel beter aan toe. In Europa werden toen ook figuurlijke loopgraven opgetrokken, waarbij naargelang het land bepaalde ideologische keuzes opgedrongen werden. In de VS werd in 1932 Roosevelt president met zijn 'New Deal' belofte die vooral uitblonk door de afwezigheid van een ideologie, al beweren sommigen dat dit dan ook weer een ideologie was. Roosevelt zette in op verschillende tactieken en ideologieën en deed verschillende pogingen om de Grote Depressie tot een einde te brengen. De meesten mislukten, maar het zijn de succesvolle projecten die hem zijn plaats in de geschiedenis hebben gegeven. Een mooi voorbeeld hoe succes uiteindelijk met de mantel der liefde eerder 'falen' bedekt. Maar niet minder een mooi staaltje van business model innovatie...

Roosevelt's aanpak kan je inderdaad zien als een vorm van prototyping van business modellen. Je werkt een model uit en toetst af in de markt of het aansluiting vind bij de belangrijkste stakeholders.  Werkt het niet, geen man overboord, want dan zijn er alternatieve modellen die mogelijk meer kans op succes bieden. Moeilijkste stap in dit proces is natuurlijk om tijdig in te zien dat het model niet werkt en dat ook effectief te aanvaarden. Niet iedereen beschikt immers over de budgettaire speelruimte die Roosevelt had, noch de tijdspanne van enkele jaren om de impact van een gekozen model te evalueren. Eén van de betere maatregelen in het innovatie landschap de afgelopen jaren is daarom de invoering van allerhande proeftuinen (bv. elektrische mobiliteit, zorg, ICT,...) die juist ook toelaten om een business model uit te testen in een beperkte testmarkt. Maar zelfs als er geen proeftuin voorhanden is om je innovatief business model uit te testen, kan je die natuurlijk altijd zelf creëren. Trek vooral naar buiten met je ideeën en toets al je veronderstellingen af met potentiële klanten.

En dat brengt ons weer in de Wetstraat. Misschien is er stilaan nood aan een proeftuin voor creatieve begrotingsmaatregelen...

woensdag 14 november 2012

Boekbespreking: Creashock van Dirk De Boe


Wie aan de kar trekt om meer creativiteit en innovatie in het onderwijs te verankeren, verdient sowieso al mijn respect. Als betrokkene dan ook nog in zijn dagelijkse werkzaamheden binnen zijn bedrijf als innovatiemanager aan een vergelijkbare innovatiekar trekt, stijgt hij nog een trede op mijn respectladder.  De persoon over wie ik het hier heb is Dirk De Boe, mede-bezieler van Edushock en auteur van het recent verschenen boek Creashock.  Ik had het genoegen om het manuscript van Creashock al enkele maanden terug  te lezen en moest toen al enige aandrang om enkele leeservaringen te delen, onderdrukken. Toen ik enige tijd terug een finaal exemplaar door Dirk kreeg toegestuurd en na een tweede lezing, lag de weg vrij voor enkele reflecties.

Verwacht geen grote creativiteitstheorieën in Creashock. De auteur brengt vooral eigen ervaringen en vertaalt die in tips die je nog naar je hand kan, nee moet,  zetten. Zo heb ik ze graag: geen voorgekauwde kost, maar wel een pak ingrediënten en wat tips hoe je daar je eigen ‘gerechten’ mee kan maken.  Voordat je denkt dat Dirk De Boe met Creashock schaamteloos zou inspelen op de blijkbaar onvergankelijke kookboekenhype, het boek bespeelt wel degelijk het thema creativiteit. 

4 kernvragen komen daarbij aan bod:

- Hoe krijg je zelf meer en betere ideeën?
- Hoe kom je in een organisatie tot meer en betere ideeën?
- Wat doe je met ideeën?
- En last but not least: Wat ga je als lezer doen?

Als je spreekt over creativiteit, kan je niet voorbij het opentrappen van enkele openstaande deuren, zoals het belang van het onderbewuste en van het stellen van vragen. Dat geldt ook in dit boek, maar dat stoort niet. De Boe koppelt daaraan immers steeds enkele praktische tips: “tips om te durven doen”.

Het hoofdstuk rond het creatiever maken van een organisatie is een aanrader voor  elke kmo-bedrijfsleider. Ik ken alvast niet zoveel mature kmo’s met een creativiteitsruimte en nochtans vraagt dat niet eens zoveel middelen.  Het ideeënforum is vaak een ander heikel punt bij bedrijven, niet zelden op basis van negatieve ervaringen uit een ver verleden met ideeënbussen die een eigen leven gingen leiden, lees vervelden tot klachtenbussen. Dirk De Boe pleit hier voor volledige  transparantie waarbij nieuwe ideeën direct feedback krijgen en die feedback ook wordt gedeeld met de ganse organisatie. Een beetje vergelijkbaar met enkele methodes bij kmo’s die in deze blog al aan bod kwamen, bv. de miseriebarometer.  Een andere belangrijke pijler die de auteur aanraakt is die van snelle prototyping. Het is beter om snel nieuwe ideeën op kleine schaal uit te testen omdat zo’n prototype een veel sterkere overtuigingskracht heeft dan een idee op een powerpoint. Dat geldt ook voor medewerkers binnen een bedrijf die te vaak geremd worden in initiatief door hun leidinggevende. Een prachtige stelling in het boek is die van Rudy Provoost: ‘Ik vraag nooit toestemming. Ze houden je wel tegen als je te ver gaat.’ Blij om te lezen trouwens dat ook bij Philips aanbrengers van goede ideeën niet worden beloond met bankbiljetten, maar wel door een voucher waarmee ze samen met hun team eens goed kunnen gaan eten. Als je team dankzij jou kan gaan eten, kan dat tellen qua voldoening en stimuleer je meteen ook de teamleden om ook creatieve ideeën aan te brengen.  

Het boek is een idea booster op zich, maar geeft ook een rits idea boosters cadeau, stellingen die de status-quo binnen een organisatie tackelen. Mijn favoriet is alvast: “Meer onderzoek nodig? Tut tut tut: vooruit met de geit”. Teveel goede ideeën in verschillende bedrijven zitten immers nog steeds in de wachtkamer om onderzocht te worden.

Creashock leest als een Start to be Creative. Veel laagdrempeliger kan een boek over creativiteit niet zijn. Dat maakt het meteen een erg toegankelijk boek voor kmo’s.  Maar ook als creativiteit een kernelement is in je dagelijkse job, blijft dit boek inspirerend. Ik voel met dus aangesproken door de laatste open vraag: ‘Wat ga jij doen’…

woensdag 7 november 2012

Wat Multatuli ons leert over innovatie...

Het is dit jaar exact 125 jaar geleden dat een astma-aanval Eduard Douwes Dekker fataal werd: Multatuli was niet meer. Allicht hebt u in vervlogen tijden zijn Max Havelaar moeten lezen omdat 'die van Nederlands' het op de lijst van verplichte lectuur had gezet. Wat mij betreft ben ik 'die van Nederlands' toch dankbaar, want het is een prachtig boek dat goed de tijdsgeest weergeeft in het Nederlands-Indië van de 19de eeuw, niet in het minste de wantoestanden die welig tierden onder het koloniale bewind.

De artikels die naar aanleiding van zijn 125ste sterfdag verschenen, maken duidelijk dat Multatuli niet alleen een groot schrijver was - Max Havelaar is in Nederland uitgeroepen tot het belangrijkste Nederlandstalige letterkundig werk aller tijden - maar ook spek had gegeten van innovatie en arbeidsorganisatie. Of wat te denken van volgende passages die hij ooit schreef:

1) "Het hart van de arbeider groeit niet van het loon, maar van de arbeid, die het loon verdient." Het is nu de leidraad van diverse motivatietheorieën, maar in de 19de eeuw was het alvast een visionair standpunt, ongetwijfeld deels ingegeven door de wantoestanden die Dekker zelf vaststelde als ambtenaar in Nederlands-Indië. Creativiteit was nog geen buzz-woord in de 19de eeuw, maar anders had Multatuli het zeker bedacht.

2) "Het gebeurt heel dikwijls dat we iets niet zien omdat het te groot is." Veel beter kan je een gebrek aan visie niet omschrijven. Visievorming, de basis voor een degelijke innovatiestrategie, wordt alsmaar moeilijker omdat onze aandacht zich continu versnipperd over gefragmenteerde informatie die via diverse kanalen in ons vizier komt. 

3) "Men kan evenmin iets goeds voortbrengen door 't volgen van modellen, als zich voeden met de spijs die 'n ander gegeten heeft." De management literatuur staat vol met modellen, ook voor innovatie, die beschrijven hoe anderen ooit tot succes kwamen. Hoewel die modellen zeker een leidraad geven, zijn ze geen garantie op succes. Een model is in het beste geval de smeerolie van een succesvolle innovatie, veel eerder dan de brandstof.

4) "Wie nooit gevallen is, heeft geen juist besef van wat er nodig is om vast te staan". Falen als katalysator voor succes was Multatuli niet vreemd. Vooraleer hij Max Havelaar schreef had hij al meerdere schrijfsels - al dan niet voltooid - die in de vergeetput van de geschiedenis verdwenen.

5) "De parelduiker vreest de modder niet." De 19de eeuwse variant van het drievuldigheidsprincipe voor ondernemerschap en in uitbreiding innovatie: never give up, never never give up, never never never give up.

Tot slot is Multatuli ook een mooi voorbeeld van de impact van het auteursrecht. Doordat hij de rechten overdroeg aan zijn uitgever, werd zijn boek bij leven slechts beperkt verspreid in hogere kringen. De uitgever hield de prijs erg hoog om te vermijden dat het boek gelezen werd door het 'gewone volk'. Het risico op opstanden was immers reëel. Multatuli vocht de overdracht van het auteursrecht aan, maar haalde bakzeil. Zijn boek werd daardoor wel geroemd omwille van zijn literaire kwaliteiten, maar de onderliggende boodschap waarin hij zich afzette tegen de koloniale mistoestanden werd doodgezwegen. Hij had het kunnen weten. De zeden regeerden in die tijd het land en zoals hij zelf aangaf: "Zeden zijn onrechtvaardige meesters. Zij straffen de afwijking maar belonen geen gehoorzaamheid." Over stoorzenders van innovatie gesproken...





woensdag 31 oktober 2012

Wat 'den Theo' mij leerde over innovatie...

U kent 'den Theo' niet? Dan is de kans groot dat u geen ingenieur bent of alleszins toch geen ingenieur met roots aan de KULeuven. Op de Ingenieursfaculteit was Theo Van de Waeteren een begrip. Uitgezonderd enkele fervente wiskundigen onder u zullen het kunnen gelovigen, maar Statistiek werd een plezant vak als het gegeven werd door Theo. Zelden iemand met zoveel overtuiging voor horen vertellen over de het Theorema van Bayes die de kans dat een bepaalde mogelijkheid ten grondslag ligt aan een gebeurtenis, uitdrukt in de voorwaardelijke kansen op de gebeurtenis bij elk van de mogelijkheden. Alsjeblieft!  Het is me nog altijd onduidelijk hoe ik dat vak ooit onder de knie kreeg. Correctie, het is me wel duidelijk: het was dankzij 'den Theo', wiens enthousiasme over de wondere wereld van de statistiek besmettelijk was. 

Echt onvergetelijk werd Theo voor elke ingenieurstudent echter door het Practicum met de straalmotor binnen het Thermotechnisch Instituut dat hij leidde. Dat practicum is een eigen leven gaan leiden binnen de faculteit.  'Het practicum met de straalmotor nog niet gehad? Dan was je nog een groentje'. Beeld je in: de uitlaat van een straalmotor,  het bijhorende lawaai met op enkele meter afstand een meute studenten die verwoed proberen hun trommelvliezen te beschermen en dan een prof die een baksteen voor de uitlaat laat vallen die uiteraard als een raket wordt weg gekatapulteerd. Als ik het zo schrijf, lijkt het niks speciaals. We leven nu in een 'experience economy' maar Theo was zijn tijd ver vooruit en wist toen al dat experience en het vertellen van de nodige sappige verhalen mensen enthousiast kon maken voor nieuwe kennis. 

Als u Theo Van der Waeteren niet gekend hebt, hebt u ongetwijfeld een eigen versie van 'den Theo' gekend. Hopelijk hebt u in uw loopbaan al met verschillende Theo's kunnen samenwerken. Misschien ben u er zelf wel één. Mensen met passie voor nieuwe kennis, maar ook met de gave om die passie over te brengen. Innovaties uitwerken is helaas niet altijd hip en boeiend. Vaak is het ook gewoon ploeteren door tegenslag of als de zaken niet lopen zoals verwacht.  Bij innovatieprocessen is het enorm belangrijk om dan iemand te hebben die er op dat moment in slaagt om het team enthousiast te houden om nieuwe oplossingen te zoeken. Niet enkel creativiteit is daarbij belangrijk, maar ook de goesting om nieuwe kennis te blijven opzoeken en zich eigen te maken.

Een paar maanden terug op weg naar Imec passeerde ik in de Celestijnenlaan en zag daar zowaar 'den Theo' afstappen aan de bushalte. Nog steeds op weg naar zijn Thermotechnisch Labo allicht. Vorige week stierf hij al bij al onverwacht op 82-jarige leeftijd. De laatste jaren verdiepte hij zich in de relativiteitstheorie. Ongetwijfeld is hij nu met de nodige passie aan het discussiëren met ene Albert...


woensdag 24 oktober 2012

Rode Koninginne-effect motor voor innovatie...

Een dit jaar verschenen rapport van KeFIK, het kenniscentrum voor financiering van de kmo, geeft aan dat overgedragen ondernemingen een hogere overlevingskans hebben dan nieuw gestarte bedrijven. Ze werven bovendien meer en sneller personeel aan. Een conclusie die op het eerste gezicht steek houdt. Een bedrijf dat al enige jaren het klappen van de economische zweep kent, lijkt net iets meer gepokt en gemazeld te zijn om weerstand te bieden tegen nieuwe concurrentie. Per slot van rekening 'muteert' elke bedrijfsorganisatie door haar fouten naar een structuur zich zich hopelijk beter afstemt op nieuwe uitdagingen.

Maar is de bevinding dat het risico op faling afneemt met de levensduur van het bedrijf wel houdbaar in tijden waarin diverse sectoren zichzelf voortdurend heruitvinden? De Amerikaanse evolutiebioloog Leigh Van Halen verrichtte in de jaren '60 onderzoek naar de kans op uitsterving van biologische soorten. Zijn 'Law of Extinction' beschrijft een constante kans van uitroeiing van genetisch verwante organismen. De kans op uitroeiing neemt dus niet af met de tijd, ondanks evolutionaire aanpassingen. Dat zou immers impliceren dat andere soorten niet mee evolueren. Dat bracht hem tot de metafoor van een evolutionaire wapenwedloop: het Rode Koninginne-effect. Hij haalde daarbij inspiratie uit Alice in Wonderland waarbij de Rode Koningin aangeeft dat je zo hard moet lopen als je kan om op dezelfde plaats te blijven. In praktijk zal een evolutionaire verbetering van een soort, andere soorten verplichten om ook te veranderen om zo uitsterving te vermijden. Dit weerspiegelt zich het beste in de relatie tussen roofdier en prooidier. Als het konijn sneller gaat lopen, moet de vos zijn tempo ook opdrijven...

Het Rode Koninginne-effect is dus duidelijk een onzichtbare motor voor innovatie en niet enkel in militaire (wapenwedloop) middens. Als het wielerpeloton een nieuw dopingmiddel tot zich neemt, moeten de labo's hun meetmethodieken verscherpen om de nieuwe producten op te sporen. Nieuwe terroristische aanslagen leiden tot nieuwe beveiligingstechnieken. Nieuwe ziektes die uitbreken leiden tot nieuwe behandelingsmethoden. Tout court: nieuwe concurrenten leiden tot nieuwe ontwikkelingen en nood aan nieuwe business modellen.

Slotsom: het onderzoek van KeFIK baseert zich op reële cijfers en is dus correct in haar vaststellingen op macroschaal: er zullen ongetwijfeld meer nieuwe startende bedrijven falen dan overgedragen bedrijven. Op microschaal, waarbij je als ondernemer moet kiezen tussen het opstarten van een eigen bedrijf of het overnemen van een bestaand bedrijf, wordt het verhaal iets genuanceerder. Vraag is dan vooral met welk van beide scenario's je het gemakkelijkst kan vooroplopen in de wapenwedloop...

woensdag 17 oktober 2012

Over emotionele vergelijkingen en innovatie...


Emoties: niet bepaald een hot topic in menige koffiehoek van een bedrijf, laat staan binnen de muren van een directiekamer. Twijfel, onzekerheid, angst, wanhoop, lijden, teleurstelling, jaloezie, wantrouwen, … overal aanwezig, maar altijd onder de radar. Het is ook natuurlijk ook niet eenvoudig om dergelijke emoties bespreekbaar te maken. Meer nog: het is vaak niet eenvoudig om dergelijke en andere emoties zelf goed te analyseren. Dit boek probeert de emotie te rationaliseren door ze in een wiskundige vergelijking te gieten. Nu zie ik menig psycholoog allicht al met de ogen rollen, maar deze benadering prikkelde in elk geval mijn nieuwsgierigheid zodat het boek in mijn vakantieliteratuur zat. Vermoedelijk zat mijn linker hersenhelft er voor iets tussen.

De auteur  Chip Conley is een ervaringsdeskundige en hij schreef er een boek over: Emotional Equations - simple truths for creating happiness and success. Conley is de oprichter en algemeen directeur van de Amerikaanse boetiekhotelketen ‘Joie de Vivre’, een bedrijf met een jaaromzet van 250 MEUR.  Hij verdiepte zichzelf in de ‘wiskundige’ benadering van emoties toen hij in 2008 zelf in een tsunami van emoties kwam door persoonlijke problemen (hartstilstand, zelfmoord goede vriend) en  doordat zijn bedrijf bergafwaarts ging. Om beter vat te krijgen op die emoties, begon hij emotionele vergelijkingen te maken.  De moeder der vergelijkingen is ‘gebeurtenis + reactie = uitkomst’. Een gebeurtenis zelf heeft geen emotionele lading: het zijn overtuigingen die de reactie veroorzaken.  Door bewust te zijn van de reactie, kan je tot op zekere hoogte controle hebben over je emoties.  Tot op zekere hoogte, want emoties zijn uiteindelijk boodschappen die je de vrijheid en niet zozeer de plicht geven om te reageren: angst biedt bescherming, spijt levert een leermoment op en somberheid geeft je de kans iets los te laten. De emotionele vergelijkingen kan je beschouwen als een psychologische GPS om emoties zelf waar te nemen, te vertalen, onder controle te brengen en te kanaliseren.

Hieronder een bloemlezing van enkele vergelijkingen. De bruggen naar innovatie zijn voor mijn rekening:

Wanhoop = lijden – zingeving:  meteen een diepzinnige vergelijking om met te starten. Anders gezegd: lijden zonder zingeving leidt veelal tot wanhoop. Of zoals Nietzsche ooit neerschreef: de waarde die we onszelf geven, hangt af van de manier waarop we pijn en leed transformeren in iets wat de moeite waard of zinvol is in ons leven. Innoveren geeft bij momenten veel miserie. Als het doel (zingeving) voor ogen wordt gehouden, is de kans op beslissingen die ingegeven worden door wanhoop (naar mislukking) klein.

Teleurstelling = verwachtingen – de realiteit. Het beste wat we kunnen doen om de levenskwaliteit te beïnvloeden is dus het beheersen van de verwachtingen. Het risico loert hiermee natuurlijk om de hoek om de verwachtingen erg laag te maken om teleurstelling te vermijden.  De clou is niet om geen verwachtingen te hebben, maar wel om verwachtingen tijdig bij te stellen. Voor teleurstelling is er trouwens meestal frustratie, dat een voortstuwend effect heeft. Bij innovatie komt het er vooral op neer om realistische verwachtingen te hebben. Bij starters zie je soms een enorme gedrevenheid die gestuwd wordt door enorme verwachtingen. Als die vervolgens niet helemaal worden ingevuld, loert teleurstelling om de hoek en die kan omslaan in immobilisme. De beste starters kenmerken zich door een enorme veerkracht in zo’n geval.

Spijt = teleurstelling + verantwoordelijkheid. Spijt is dus intrinsiek het gevolg van een keuzeproces, waarbij het gevoel kan ontstaan een verkeerde keuze te hebben gemaakt. Dat is meteen het verschil met wroeging, want dan komt er ook nog een schuldgevoel bij (wroeging = spijt + schuldgevoel). Innoveren is vaak kiezen. Je kan niet alles voor iedereen willen doen. Op het moment dat de keuzes bewust gemaakt zijn, is spijt geen negatieve emotie. Ze stimuleert eerder een leerproces om het een volgende keer nog beter aan te pakken.

Angst = onzekerheid*machteloosheid: we hebben de neiging om iets dat we als bedreigend ervaren te overschatten en om ons vermogen om ermee om te gaan te onderschatten. De huidige lange crisis veroorzaakt vooral angst omdat het onduidelijk is hoe lang ze nog zal duren. Of zoals onderzoek al aantoonde: liever een grotere elektrische shock nu dan een kleinere op een onverwacht moment. De vergelijking laat weinig aan de verbeelding over: controlefreaks zijn vaak angsthazen, angst voor het onbekende. Het zijn zelden goede innovatoren, maar ze zijn anderzijds hier en daar wel nuttig in een innovatieteam. Projectmanagement is nooit ver weg.

Werkverslaving = waar loop je voor weg/waar leef je voor: Vooral in Amerika, maar daardoor meer en meer ook in Europa, worden de ‘goden der werkverslaving’ de hemel in geprezen. Ze dragen ongetwijfeld sterk bij aan ons Bruto Nationaal Product, maar helaas veelal amper of zelfs negatief tot het Bruto Nationaal Geluk. Erg vaak vlucht een workaholic voor zijn emotionele problemen of onzekerheden door harder te gaan werken.

Flow = vaardigheid/uitdaging (met als doel dat flow = 1): het woord flow valt niet zelden in de context van sportmanifestaties. Als Bradley Wiggins de tijdrit van de Olympische Spelen won, leek hij in een volledige flow te zijn.  Flow impliceert dat je je niet meer van jezelf bewust bent.  Teveel uitdaging zonder vaardigheid resulteert in angst. Teveel vaardigheid zonder uitdaging resulteert in verveling.  Bij flow zijn vaardigheid en uitdaging perfect in evenwicht.  Flow vereist echter ook een activiteit die een duidelijk doel nastreeft en het ontvangen van onmiddellijke feedback. Bij innovatie is het vooral belangrijk om te zorgen dat teamleden zo dicht mogelijk bij de flow komen.

Nieuwsgierigheid = verwondering + ontzag. Creativiteit krijgt als eigenschap meer aandacht omdat ze iets tastbaars heeft. Nieuwsgierigheid streeft meestal geen vastgelegd doel na, maar houdt de geest actief en ad rem. Het is de ideale voedingsbode voor creativiteit. Nogal wat nieuwsgierigheid wordt gesmoord door de onkunde/onwil om toe te geven dat je niet weet wat je niet weet. Het ego, weet je… Verwondering wordt vaak vergeleken met ontzag, maar ontzag impliceert een zekere mate van respect voor het onbekende. Het draagt daardoor nederigheid en soms zelfs angst in zich. Binnen innovatieteams kan nieuwsgierigheid aangewakkerd worden door van vragen te stellen een gewoonte te maken.

Authenticiteit = zelfbewustzijn x moed: We maken allemaal TO DO lijstjes, maar zelden een TO BE lijstje.  Authenticiteit vraagt reflectie over wat je echt wil zijn en de moed om je zo ook te gedragen naar de buitenwereld.

Integriteit = authenticiteit x onzichtbaarheid x betrouwbaarheid: of zoals de Christelijke theoloog C.S. Lewis ooit schreef: integriteit is het goede doen terwijl niemand toekijkt.  Vraag is dus welke maskers je draagt.

Geluk  = willen wat je hebt/hebben wat je wilt. De noemer ‘hebben wat je wilt’  sluit allicht dicht aan bij de definitie van ‘succes’ in de Westerse maatschappij. De kans is klein dat de Forbes top 100 van rijkste mensen veel parallel vertoont met de onbestaande lijst van 100 meest gelukkigen.

Het boek bevat nog diverse andere vergelijkingen en roept op om zelf nieuwe vergelijkingen te maken als je bepaalde emoties beter wil begrijpen. Uiteraard kan elke vergelijking aanleiding geven tot discussie over termen en factoren. Essentie is echter dat Chip Conley een moeilijk bespreekbaar topic als emoties door een rationeel hulpmiddel bespreekbaar maakt, in de eerste plaats voor jezelf. Ik ben met veel argwaan aan dit boek begonnen, een ingenieurstrekje allicht, maar het boek verdient een plaats op mijn lijst van ‘te herlezen’ …